De strijd tegen vrouwenhandel

ProstitutieHoe bestrijd je misstanden in de prostitutiesector? Daar bestaan verschillende ideeën over, maar dat slachtoffers van mensenhandel moeten worden opgevangen staat als een paal boven water. Vandaag opent staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven in Leeuwarden zo’n opvangcentrum: het Centrum Kinderhandel Mensenhandel (CKM). Het CKM is onderdeel van Fier, een expertise- en behandelcentrum op het gebied van geweld in afhankelijkheidsrelaties.

De PvdA diende eerder deze maand, samen met de SP en de ChristenUnie, een wetsvoorstel in om klanten van prostituees strafbaar te kunnen stellen als zij bij hun bezoek hadden kunnen vermoeden dat de betreffende dame het werk niet vrijwillig doet. Uit recent onderzoek is gebleken dat 10% van alle mannen in Nederland meermaals per jaar een prostituee bezoekt. De drie partijen willen dus een wet die van honderdduizenden klanten van prostituees potentiële verdachten maakt. Je zal door de opwinding maar een keer niet goed hebben opgelet. Ben je opeens medeplichtig aan vrouwenhandel.

Prestatiecontracten
Lodewijk Asscher zette jaren geleden als PvdA-raadslid, en later als wethouder en locoburgemeester, het bestrijden van vrouwenhandel hoog op de politieke agenda, en daarmee tegelijk op de agenda van politie en justitie. Asscher verdient daarvoor alle lof. De politie was tot dan toe gebonden aan prestatiecontracten en mocht vrouwenhandelaren alleen ‘opjagen’. Toen raamexploitanten de politie eind jaren negentig waarschuwden voor de groep rond de Turkse vrouwenhandelaar Saban B. ging de politie de bende ‘hinderlijk volgen’ met als gevolg dat die zich door heel Nederland ging verspreiden. Lopende opsporingsonderzoeken belandden daardoor ‘op de plank’, zoals dat heet in politiejargon, want het had van hoger hand ‘geen prioriteit’. Dat was een van de pijnlijke conclusies van rapporten over gedwongen prostitutie die in 2005 op Asschers bureau belandden.

Het is evident dat het probleem destijds niet is onderkend en daarna niet goed is aangepakt. Maar Asscher peinsde er niet over de hand in eigen boezem te steken en openlijk te erkennen dat de Amsterdamse driehoek het bestrijden van gedwongen prostitutie lange tijd heeft veronachtzaamd. 

‘Raamprostitutie Amsterdam in handen van criminelen’
Het moest in elk geval anders. Asscher wist wel hoe: de zwarte piet neerleggen bij raamexploitanten door hen neer te zetten als faciliteerders van mensenhandel. Dan konden hun vergunningen worden ingetrokken. En dan vervolgens de gesloten prostitutiepanden opkopen, ontnemen of onteigenen. Charles Geerts, door Asscher aangeduid als ‘een crimineel of criminogeen persoon’, zou in 2006 het eerste doelwit worden. 

In het boekje ‘Nieuw Amsterdam’ dat eind 2005 van zijn hand verscheen, begint Asscher alvast stemming te maken:

‘Als we weten dat de raamprostitutie in Amsterdam in handen is van een klein aantal criminelen, als we weten dat voor een flink aantal vrouwen een achtergrond van gedwongen prostitutie speelt, als we weten dat Amsterdam voor veel loverboys een gouden afzetmarkt is, hoe trots kunnen we dan precies op onze Wallen zijn? Wat mij betreft wordt de raamprostitutie in Amsterdam actief ontmoedigd. Liever een toeristenattractie minder dan medeplichtigheid aan misbruik van vrouwen. Die vrouwen die wel vrijwillig en zelfstandig in de prostitutie willen werken, kunnen prima terecht op andere plaatsen, in sekshuizen en bordelen.’

Alsof vrouwenhandel en gedwongen prostitutie uitsluitend voorkomt in de raambordeelsector en niet in sekshuizen, bordelen en er geen illegale- en thuisprostitutie bestaat. Asschers plan van aanpak hield in: de helft van alle raambordelen op de Wallen laten verdwijnen. Critici werd de mond gesnoerd met teksten als: “wie tegen het plan is, steunt vrouwenhandel!” 

Geerts hield echter stand in de Bibob-procedure, waarop de gemeente zich genoodzaakt voelde de portemonnee te trekken en Geerts uit te kopen voor de vraagprijs: 25 miljoen euro.

Minder ramen = minder vrouwenhandel
Het weigeren van vergunningen op grond van de Wet Bibob alleen was niet voldoende. De hele ‘criminele infrastructuur’ moest worden gesloopt en de criminelen verjaagd, zo luidde de boodschap. De jacht op prostitutiepanden op de Wallen was geopend. Die moesten in handen komen van bonafide partijen, om vrouwenhandel te bestrijden en om de aanzuigende werking op georganiseerde misdaad tegen te gaan. Volgens de wiskunde van Lodewijk Asscher betekent minder ramen per definitie minder vrouwenhandel.

Officier van Justitie Jolanda de Boer, de aanklager in de meeste vrouwenhandelzaken in de Amsterdamse regio, had kennelijk dezelfde wiskundeleraar als Asscher. “Het is eigenlijk een eenvoudige rekensom. Als er minder ramen zijn, dan bijna per definitie minder uitbuiting. Dat lijkt mij een stukje wiskundige logica,” zegt de officier met een stalen gezicht in ‘De Slag op de Wallen’ deel 2, de onthullende reportage van Brandpunt Reporter over de Wallen-aanpak die begin dit jaar in twee delen op televisie werd uitgezonden.

Jolanda de Boer (Brandpunt Reporter)

Prostituees aan het woord
Wat vinden sekswerkers er eigenlijk zelf van dat er zoveel legale werkplekken verdwijnen door toedoen van de overheid? De PvdA, de partij van initiator Asscher, was niet in de mening van de dames geïnteresseerd. Politicoloog Bas Merkx en UvA-socioloog Laurens Buijs wel. Zij hielden in 2010 een enquête onder prostituees. Prostituees komen ook aan het woord in de NCRV-documentaire ‘De Bezem door de Wallen’ van Frans Bromet, en eveneens in de eerder genoemde reportage ‘De Slag op de Wallen’ van de KRO.

De sekswerkers op de Wallen die in 2010 aan het onderzoek meewerkten hadden geen enkel begrip voor het anti-prostitutie beleid van de gemeente en ook niet voor de slachtofferrol die hen door de overheid wordt opgedrongen. Het laten verdwijnen van veel legale werkplekken doet uitbuiting niet afnemen maar zorgt voor meer thuiswerk en illegale prostitutie, waarschuwden de prostituees. Dat zeggen ook alle deskundigen.

Patricia Perquin
De gemeente hield er een andere visie op na. Burgemeester Van der Laan hechtte meer waarde aan de schrijnende verhalen van ene Patricia Perquin, iemand die beweerde ruim 4 jaar op de Wallen te hebben gewerkt als prostituee. Ze schreef er een boek over: ‘Achter het raam op de Wallen’.

Perquin werd door Van der Laan benoemd tot ‘gemeenteadviseur over misstanden in de prostitutiebranche’ tot de Volkskrant haar ontmaskerde als Valérie Lempereur, een journaliste met een rijke fantasie en een verleden vol leugens en bedrog.

Niemand op de Wallen kende Patricia Perquin of Valérie Lempereur en had haar ooit achter een raam gezien. Dat bleek toen een foto van Lempereur in de krant verscheen en de buurt onderzoek deed achter welk raam ze gewerkt zou kunnen hebben. 

Toen het nieuws over de achtergrond van Lempereur eenmaal was geland op het stadhuis, beweerde de gemeente dat de invloed van de ‘gemeenteadviseur’ op het prostitutiebeleid in Amsterdam maar heel beperkt was. Voordat Lempereur alias Patricia Perquin in beeld kwam als ‘adviseur over misstanden in de prostitutiebranche’ was de gemeente al lang begonnen met de Wallenaanpak, stelde de woordvoerder van Eberhard van der Laan op AT5.

Lempereur zou voorlopig geen opdrachten meer krijgen van de gemeente Amsterdam, antwoordde Van der Laan op vragen van de gemeenteraad hoe lang hij nog wilde doorgaan met deze adviseur. 

Uitstapprogramma’s
Eind 2008 startte de overheid de ‘Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees’ (RUPS) waarmee prostituees worden geholpen om uit het vak te stappen. Een soort uitsterfregeling. Daar kwam al meteen kritiek op van dames die met een gat in hun CV kwamen te zitten omdat ze daarop niet willen vermelden dat ze in de prostitutie hebben gewerkt. Een begrijpelijk argument omdat sekswerk (nog steeds) niet als een alom geaccepteerd en gerespecteerd beroep wordt gezien. Bovendien kunnen werkgevers de bedragen die een prostituee normaal gesproken verdient (‘300 tot 1000 euro per dag’) niet betalen. Zodoende is er weinig animo om van de regeling gebruik te maken en zijn de successen van de uitstapprogramma’s, ondanks de miljoenen die erin worden gestoken, maar zeer beperkt. Toch wordt voor de uitstapprogramma’s voor prostituees de komende vier jaar nog eens 3 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld. Dat maakte minister van Veiligheid en Justitie Opstelten op 12 oktober jl. bekend in een brief aan de Tweede Kamer.

De strijd gaat door
De strijd tegen vrouwenhandel gaat wat de overheid betreft onverminderd door. Wat volgens dames die in ‘het vak’ zitten of hebben gezeten zou helpen is als de politiek hen niet meer beschouwt als hulpeloos slachtoffer maar eindelijk eens naar hen gaat luisteren. Zorg er als overheid gewoon voor dat prostituees hun vak veilig en legaal kunnen uitoefenen. Op de Wallen of elders. 

Eva Jinek op zondag

Gisteravond maakte Eva Jinek op NPO 1 haar debuut met een nieuwe avondtalkshow: ‘JINEK’. Het programma van KRO-NCRV stond eerder geprogrammeerd op de zondagmiddag maar is nu gepromoveerd naar de avond. Een verdiende beloning voor Eva die al eerder heeft laten zien dat ze tot veel meer in staat is dan het presenteren van het nieuws.

Talent
In 2011 had Jinek voor de toen nieuwe omroep WNL (Wakker Nederland) een eigen journalistiek praatprogramma op zondagochtend: ‘Eva Jinek op Zondag’. Daarin ontving ze politici en personen die recent in het nieuws waren geweest. Eva nam van haar gasten niet zomaar iets aan, stelde scherpe vragen en bekeek de zaken nuchter, zonder zich van de wijs te laten brengen door stemmingmakerij. Dat bleek zondagochtend 9 oktober 2011 waar Lodewijk Asscher, toen nog wethouder in Amsterdam, bij Eva te gast was, samen met Annemarie van Gaal en Harry Mens.

Voor Asscher was het even wennen. Nu eens iemand tegenover zich die niet alles wat hij vertelt over de Wallen-aanpak voor zoete koek slikt, zoals Asscher gewend is van Het Parool, de Volkskrant, DWDD en Pauw & Witteman. Dat Annemarie van Gaal zich met het gesprek bemoeide werkte niet in Asschers voordeel. Harry Mens keek geamuseerd toe.

Asscher op werkbezoek
Enkele dagen voor die bewuste uitzending was Asscher ’s avonds op werkbezoek geweest in de Molensteeg, door Het Parool aangeduid als ‘de crimineelste straat van Amsterdam’. Samen met enkele controleurs bezocht Asscher daar enkele raambordelen. De wethouder stelde de prostituees die daar die avond werkzaam waren vragen over hun privé-situatie. Omdat Asscher zich voordeed als een toezichthouder en niet als zichzelf, kreeg hij een klacht aan zijn broek van zowel de bordeelhouder (mijn overbuurman in de Molensteeg), als de prostituee. De dame in kwestie vond dat zij recht had om te weten wie haar al die persoonlijke vragen stelde, namelijk de man die het plan had gesmeed een groot deel van alle legale werkplekken op de Wallen om zeep te helpen.

Waarom zo geheimzinnig en vertelde Asscher niet gewoon wie hij was en wat hij kwam doen? Zo ontstaan oncontroleerbare praktijkverhalen over gedwongen prostitutie waar de toch al geplaagde en gecriminaliseerde raambordeelhouders zich niet of nauwelijks tegen kunnen verweren.

De bordeelhouder liet aan Asscher blijken de actie niet erg te waarderen. Asscher, zijn assistente en de controleur liepen daarop giechelend de deur uit, als een stel betrapte schoolmeiden. In de klachtenprocedure die volgde stelde de gemeente dat het leek alsof de hele buurt vooraf was ingeseind over de komst van Asscher en dat de bordeelhouder bedreigend zou zijn overgekomen. Asscher en zijn drie ambtenaren bedreigd door een 74-jarige. Hoe verzin je het.

De camerabeelden laten een heel ander beeld zien. De bordeelhouder komt na ruim twintig minuten polshoogte nemen wat er gaande is en spreekt eerst de gemeentecontroleur aan die voor mijn speelhal de wacht hield. Daarna gaat de bordeelhouder pas naar binnen waar hij onder andere Asscher aantreft.

Voordat de ambtenaar buiten werd aangesproken, had hij op zijn gemak koffie gedronken die hij in een plastic bekertje kreeg aangereikt van een langslopende dame van het Leger de Heils. Het tekent de sfeer op de Wallen. In de peeskamer van het bordeel onderwierp Asscher de sekswerker ondertussen aan een kruisverhoor.

Eva Jinek op Zondag 9 oktober 2011
Terug naar Eva Jinek op Zondag van 9 oktober 2011 waar Asscher enkele  opmerkingen maakte over zijn ‘werkbezoek’ in de Molensteeg enkele dagen eerder en daar een eigen draai aan geeft.

Lees op uw gemak de transcriptie van het interessante gesprek dat de dames Jinek en Van Gaal die ochtend met Lodewijk Asscher hadden over vrouwenhandel en de Wallen, en hoe Asscher bot vangt bij zijn poging begrip te kweken voor het ‘opschonen’ van de Wallen.

Eva Jinek op Zondag (9-10-2011)

Eva: “Over stoute plannen gesproken; u heeft zich vastgebeten in de Wallen. Waarom eigenlijk?”

Lodewijk: “Het gekke is we hebben daar allemaal, tenminste, ik had daar een heel positief beeld over, dat wij dat eigenlijk in Nederland beter hadden geregeld dan in de rest… Niet zo hypocriet, het is legaal, dus je kan het controleren. 10 jaar geleden werd het legaal, prostitutie in Nederland. Maar als je nou kijkt naar de feiten, en die zijn eigenlijk toch heel weinig bekend. Je realiseert je dat de meisjes die daar staan achter die ramen weliswaar naar je glimlachen maar in heel veel gevallen op een afgrijselijke manier worden uitgebuit, fysiek worden bedreigd, niet zelf kunnen kiezen waar ze gaan, paspoort, telefoon ingeleverd, gebracht en gehaald door de pooier die ze zogenaamd beschermen. Er zijn vrouwen die gedwongen zijn abortus te plegen. Er zijn vrouwen die gedwongen zijn een borstvergroting te doen. Er zijn vrouwen die…”

Eva: “Over hoeveel mensen hebben we het eigenlijk? Over hoeveel vrouwen?”

Lodewijk: “Over héél erg veel vrouwen. De schattingen lopen uiteen.”

Eva: “Maar hebben we het over honderden, of over duizenden?”

Lodewijk: “Volgende week verschijnt een nieuw boek, ‘Slaven in de polder’ heet het, en daar wordt gezegd: 50% is gemiddeld gedwongen prostitutie. Moet je je voorstellen, de helft van die vrouwen! Maar er staat ook dat van die Hongaarse meisjes, er zijn nu heel veel Hongaarse meisjes op de Wallen, is het ongeveer 100%. Als je weet, het is hier een paar honderd meter vandaan, dat dit gebeurt in de hoofdstad van een welvarend land. Verkrachting hè, iedere keer weer.”

Eva: “Wij hebben gehoord dat een aantal seksbazen, of misschien een, ik weet dat niet zeker, een klacht tegen u heeft ingediend.”

Lodewijk: “Ja, dat is heel typerend. Ik ben een keer meegegaan met onze toezichthouders om te kijken hoe die hun werk doen. En dat is moeilijk werk. Je zou zeggen als je als branche geregu…, legaal bent: kom maar kijken, kom binnen, we hebben niets te verbergen. Maar men reageert daar heel erg opgefokt op. En eh… dus toen ik daar mee aan het kijken was, stond er binnen no-time iemand binnen. En er is dus nu weer een klacht. Het tekent heel erg de verhoudingen. Die seksbazen zeggen allemaal: nee, we hebben niks te verbergen, we doen het keurig. En iedereen weet daar, als je ze even rustig spreekt: nee hoor, bij de buren: vrouwenhandel. Bij de buren: die neemt minderjarige meisjes. Het is echt, nou ja, ik vind het onbegrijpelijk dat er zo weinig publieke verontwaardiging is over het feit dat we eigenlijk weten, we maken er zelfs reclame mee hè, Red Light District, dat je weet dat dat grove misdaad is. Er wordt van meisjes dingen verwacht… Het is misschien bij de muesli bij de kijkers wat heftig maar, om zonder condooms zich anaal te laten nemen voor eh.. een habbekrats. Dat gebeurt.”

Lodewijk Asscher bij Eva Jinek op Zondag (2)

Eva: “U bent hier al sinds 2004 mee bezig geloof ik, op de Wallen.”

Lodewijk: ”Ja”

Eva: “Er is een rapport van de rekenkamer en daarin staat dat bijna geen meetbare resultaten zijn geboekt op de Wallen.”

Lodewijk: ”Ja. Nou ja.”

Eva: “Dat is schrikken lijkt mij, als je daar zo lang…”

Lodewijk: “Ik had heel graag gewild dat we veel verder waren. Er zijn gelukkig een aantal rechtszaken geweest. Er zit een aantal van die misdadigers vast, maar met te korte straffen in mijn ogen. Je krijgt 4, 5, misschien 6 jaar voor stelselmatig commercieel iemand laten verkrachten. De rekenkamer die heeft gezegd: goh toen je eraan begon, toen had je niet precies de meetbare doelen. En dat is ook zo. We hebben gezegd: dit kan zo niet, we moeten wat doen.”

Eva: “Maar het aantal criminogene panden, dat zijn…, ik kende dat woord ook nog niet, maar panden die criminaliteit aantrekken, zijn gestegen van 444 naar 491.”

Lodewijk: “Ja”

Eva: “Het gaat slechter, ondanks de tientallen miljoenen die erin geïnvesteerd zijn.”

Lodewijk: “Nee, het gaat niet slechter. Wat dat laat zien is dat de tegenstander niet stil zit. Criminogene…”

Eva: “Wat zei je Annemarie?”

Annemarie: “Geïnvesteerd zei jij, maar ze zijn feitelijk weggegooid, die tientallen miljoenen.”

Eva: “Ja, als er inderdaad geen meetbare resultaat is.”

Lodewijk: “Als dat zo zou zijn hè… Maar wat je daar ziet… Bijvoorbeeld massagesalons. Men vindt weer nieuwe wegen om eh… Opeens zijn er tientallen massagesalons.”

Annemarie: “Maar Lodewijk, pak dan het probleem aan. Daarom zijn er ook geen meetbare resultaten. Ik ben tegen vrouwenhandel, maar laat die Wallen de Wallen zijn. Pak het probleem aan van vrouwenhandel.”

Lodewijk: “Politie, justitie…”

Annemarie: “Maar waarom ga je die panden sluiten? Amsterdam wordt zo’n vertrutte stad.”

Lodewijk: “Dat vind ik nou zo gek dat je nou, terwijl ik vertel wat er daar gebeurt, dat je juist als vrouw niet zegt…”

Annemarie: “Pak het dan aan!”

Lodewijk: “Dat is heel raar. Die meisjes willen er vaak heel graag uit. We hebben programma’s om ze te helpen een andere baan te vinden. Die durven vaak de overheid niet te vertrouwen.”

Eva: “Maar wacht even. Waar moet dit heen? Nul prostitutie? Door panden te sluiten verplaats je het probleem toch alleen?”

Lodewijk: “Nee, dat is niet waar. Als Nederland zijn we internationaal een van de beste bestemmingen as je een vrouwelijke slavin ergens wil uitbuiten.”

Annemarie: “Slavin? Als je plezier, als je gewoon betaalde seks wilt. Het is geen vrouwelijke slavin.”

Lodewijk: ”Ik heb het er niet over als je betaalde seks wil. Dat is wat de klant wil. Ik heb het over een meisje dat in Hongarije opgroeit, en op haar 18-de hiernaartoe wordt meegenomen. Daar is Nederland de bestemming voor.”

Eva: “En een seksshop om tien uur avonds sluiten. Wat draagt dat bij aan het opheffen van mensenhandel?”

Lodewijk: ”Een seksshop om tien uur sluiten dat draagt daar niks aan bij. Dat is natuurlijk niet de kern. Het gaat erom dat je…”

Eva: “Dat is wat Annemarie bedoelt: de vertrutting van iets dat authentiek is, de Wallen.”

Annemarie: “Wat de cult van Amsterdam is.”

Lodewijk Asscher bij Eva Jinek op Zondag

Lodewijk: “Annemarie, draai het eens om. Als je weet dat er heel veel van die vrouwen daar verkracht worden, zeg je dan: o jee, we vertrutten, laat maar gaan?”

Annemarie: “Nee, nee. Pak het probleem aan. Zorg dat er controleurs zijn. Zorg dat die meisjes te allen tijde hun paspoort bij zich moeten hebben zodat je dat kunt controleren. En mocht iemand geen paspoort hebben dan weet je dat het een foute zaak is. Maar er zijn er ook genoeg die ervoor kiezen.”

Lodewijk: “Ik ben mee geweest met de controleurs. Je komt daar binnen. Paspoort. Prachtig. Helemaal in orde. Kamer van Koophandel inschrijving: vrije ondernemer. Ze spreken alleen geen Engels. Beetje gek. Dus je bent op je negentiende in Hongarije en dacht: wat ik ga doen, ik begin een zelfstandig seksbedrijf in Amsterdam. Het is schone schijn! We willen heel graag geloven, jij ook, dat het vrouwen zijn die dat vrijwillig doen.”

Eva: “Gelukkig blijft Lodewijk in Amsterdam en gaat ie dit oplossen.”

Annemarie: ”Nee, nee, laat hem naar Den Haag gaan en laat de Wallen weer terugkomen. Maar dan op een goede manier. Laat het goed controleren.”

Lodewijk: “Op een goede manier? Graag. Maar als je het controleert, meteen een klacht.”

Een terechte klacht, want de klacht van de bordeelhouder en de dame is uiteindelijk gegrond verklaard. Asscher had zich voor moeten stellen als zichzelf want een prostituee heeft het recht om te weten wie haar impertinente vragen stelt zoals: hoeveel zij heeft verdiend, waar zij woont, of zij een vriend heeft, hoeveel klanten zij krijgt per dag, enzovoorts.

Leegstandsbepaling verdwijnt uit bestemmingsplan 1012

MolensteegMijn grootste bezwaar tegen Bestemmingsplan 1012 was een leegstandsbepaling die ineens, ná de gedwongen sluiting van mijn speelhallen, aan de bestaande uitsterfregeling was toegevoegd. Voor de inhoudelijke behandeling van mijn beroepschrift door de Raad van State op 6 oktober jl. had ik een pleitnotitie geschreven. Niet alleen over die leegstandsbepaling maar ook over de vertekende beeldvorming vanuit het college van burgemeester & wethouders en het niet-bestaan van enig beleid ten aanzien van speelautomatenhallen, behalve dat ze van de gemeente moeten uitsterven. Maar voordat ik het stuk kon voordragen meldde de advocaat van de gemeente onverwachts dat de leegstandsbepaling eigenlijk wel kon vervallen.

‘Dat gaat zomaar niet’
Na de Voorlopige Voorziening uitspraak van 8 september jl. had de gemeente eens gekeken hoeveel speelhallen er werkelijk zijn op de Wallen en hoeveel leegstand er was. Dat bleek maar heel beperkt. Dus was die leegstandsbepaling eigenlijk overbodig. De voorzitter ging daar niet zomaar mee akkoord en hield de advocaat van de gemeente voor: “Dat gaat zo maar niet. Wij moeten ook rekening houden met de belangen van bewoners en andere ondernemers. Uw cliënt (de gemeente) heeft toch welbewust ervoor gekozen een leegstandsbepaling aan het uitsterfbeleid te verbinden? Daar is neem ik aan toch goed over nagedacht?”

Uiteindelijk verzekerde de voorzitter mij dat de uitspraak van de Raad van State op dit punt hoe dan ook zal inhouden dat de leegstandsbepaling uit het bestemmingsplan verdwijnt. De gemeente was zelf van plan de leegstandsbepaling pas begin volgend jaar uit het bestemmingsplan te schrappen middels een wijzigingsbesluit van de gemeenteraad. “Waarom niet eerder?” vroeg de voorzitter. “Omdat er eerst nog een wijzigingsbesluit moet worden genomen over de Universiteitsbibliotheek,” antwoordde een bij de zittingen aanwezige ambtenaren.

Voorlopige voorziening
De opmerkelijke koerswijziging van de gemeente kwam als een verrassing na het ferme standpunt dat eerder was verkondigd bij de behandeling van de Voorlopige Voorziening. De voorzitter van de Afdeling stelde mij op 8 september jl. in het gelijk en schorste de leegstandsbepaling tot de uitspraak, die in december 2014 is gepland. Zonder schorsing zou de aanduiding ‘speelautomatenhal toegestaan’ op 11 september 2014 zijn vervallen bij de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30. Dat zou tot een enorme schade hebben geleid.

In aanloop naar de behandeling van de Voorlopige Voorziening deed de gemeente het kort geding af als een hele simpele zaak: het intrekken van de speelhalbestemming op 11 september (omdat de functie één jaar lang niet is uitgeoefend), valt onder het ondernemersrisico van Kaatee. Dat ruim een half jaar eerder door een nieuwe exploitant een vergunningaanvraag is ingediend om de speelhallen weer in bedrijf te nemen, doet niet ter zake. De leegstandsbepaling dient een hoger belang dan dat van Kaatee, namelijk het belang van een goede ruimtelijke ordening. Maar zo eenvoudig als de gemeente het deed voorkomen is het niet. Sluiting en het gesloten houden van mijn speelhallen is al jaren onderdeel van een politieke en bestuurlijke dadendrang. De gemeente heeft voortdurend geprobeerd, met alle middelen die tot haar beschikking staan, te voorkomen dat de speelhallen weer open gaan. Dat is ondertussen wel duidelijk geworden in alle procedures die ik heb gevoerd, en nog steeds voer, waaronder deze bij de Raad van State.

‘Sluiting speelhallen succes van project 1012’
Op 9 december 2013 schaarde Pierre van Rossum, de projectleider van Project 1012, de sluiting van mijn speelhallen onder ‘de successen van het project 1012’. Dat was tijdens een presentatie van de voortgang van Project 1012. Hoewel de speelhallen zijn gesloten op grond van de Wet Bibob, werd een rechtstreeks verband gelegd met het bestemmingsplan. Het bevestigde mijn vermoeden dat de gemeente de speelhallen na de sluiting in maart 2012 geheel van de Wallen wilde laten verdwijnen. Met de leegstandsbepaling in het nieuwe bestemmingsplan had de burgemeester hét instrument in handen gekregen om definitieve sluiting en verdwijning te bewerkstelligen.

Nota Beleidsaanpassingen bestemmingsplangebied 1012
Bij de vaststelling van de ‘Nota Beleidsaanpassingen bestemmingsplangebied 1012’ in 2011 ontbrak de leegstandsbepaling nog. Volgens stadsdeelvoorzitter Van Pinxteren (GroenLinks) voldeed de bestaande uitsterfregeling prima. De nota stelt bij 6.3 (Voorstel nieuw beleid):  ‘In het nieuwe bestemmingsplan voor het 1012-gebied worden voor de prostitutie die blijft, de bestaande regelingen opgenomen. Dit geldt ook voor de automatenhallen, geldwisselkantoren, telefoneerinrichtingen en smartshops, inclusief de uitsterfregeling. Er is dus geen aanleiding voor nieuw beleid voor deze functies.’ [1]

Maar ná de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 12 maart 2012, en de daaropvolgende sluiting van de gokcenters op 19 maart 2012, werd de uitsterfregeling voor speelautomatenhallen en enkele andere functies ineens uitgebreid met de leegstandsbepaling.

Gemeente heeft meerdere petten op
Een overheid dient iedere schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. In het onderhavige geval bleek dat de gemeente meerdere petten op had die niet verenigbaar zijn:
1) als behandelaar van de vergunningaanvraag
2) als regelgever
3) als uitvoerder van het beleid om het aantal speelhallen te verminderen.

Deze omstandigheid gaf het college de mogelijkheid om de leegstandsbepaling in werking te laten treden, terwijl het beleidsvoorstel van de gemeenteraad juist was om de bestaande uitsterfregeling (zonder leegstandsbepaling) te handhaven.

Door de vergunningaanvraag niet voortvarend te behandelen, kon de gemeente het nemen van een besluit over de aanvraag eenvoudig over de cruciale datum van 11 september 2014 heen tillen. Pas vierenhalve maand na de aanvraag werd het Landelijk Bureau Bibob om advies gevraagd, terwijl de behandelende ambtenaren op dat moment heel goed wisten dat de vergunning op een veel simpelere manier kon worden geweigerd, namelijk omdat het exploiteren van speelhallen op de locaties Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 conform de leegstandsbepaling, na 11 september 2014 niet meer is toegestaan.

Zoveel verschillende petten op het hoofd van de gemeente is onwenselijk en vloeit voort uit het feit dat speelautomatenhallen (anders dan andere ongewenste branches), vergunningplichtig zijn én ook nog eens onder de Wet Bibob vallen. Daarbij ondermijnt de leegstandsbepaling de rechtspositie van zowel de pandeigenaar/verhuurder als de exploitant/huurder/koper. Laatstgenoemde moet, zonder dat de bestemming tussentijds vervalt, een zienswijze kunnen indienen en bezwaar kunnen maken mocht een vergunningaanvraag worden geweigerd. En Bibob-procedures kunnen jaren duren, weet ik uit ervaring.

Stopera

Kritiek rekenkamer op Project 1012
‘Gokhallen’ moeten van de gemeente worden teruggedrongen. Hoeveel en welke zaken er moesten verdwijnen, en hoeveel en welke er mochten blijven bleef ongewis. Bij coffeeshops en raambordelen is dat wél exact bepaald. De gemeentelijke Rekenkamer wees de gemeente hier al in 2011 op:

‘Informatie over de ontwikkeling van de aantallen criminogene en economisch laagwaardige functies is noodzakelijk om te kunnen vertellen hoe het Coalitieproject zich als geheel ontwikkelt. De vermindering van deze functies is namelijk de centrale beleidsdoelstelling van het Coalitieproject. Uit beleidsstukken blijkt het aantal functies te zijn toegenomen ten opzichte van 2007.[2] Dit vraagt om toelichting: wat betekent deze toename? Was dit verwacht? Of gaat er iets niet goed? Zonder dit verhaal kan niet bepaald worden of het Coalitieproject op schema ligt of dat aanpassingen nodig zijn.’

Uitspraken Lodewijk Asscher
Voorafgaand aan het nieuwe bestemmingsplan had Lodewijk Asscher, de initiator van de Wallen-aanpak, het beeld gecreëerd dat in het Wallengebied ontzettend veel speelautomatenhallen gesitueerd zijn. Op 12 september 2007 hield Asscher als locoburgemeester van Amsterdam in Maastricht een toespraak over de bestuurlijke aanpak (Wet Bibob) op de Wallen.[3] De minister van Binnenlandse zaken, andere hoogwaardigheidsbekleders en journalisten hoorden Asscher verkondigen:

“Geachte aanwezigen,
De geboorteplaats van de bestuurlijke aanpak is, naar mijn bescheiden Amsterdamse mening, het Wallengebied. Met name over de ervaringen met dit gebied wil ik het met u hebben. (…) Zo omvat de raamprostitutie in dit gebied 143 panden met daarin in totaal 451 ramen. Er zitten 8 grote speelautomatenhallen en maar liefst 85 coffeeshops.”

Aantallen die gretig en zonder verificatie werden genoteerd en verspreid door het ANP. Het nieuws verscheen in de Volkskrant en in andere media, en uiteraard ook op de website van de PvdA. Op 5 december 2011 werd Asscher in het programma Villa VPRO op Radio 1 geïnterviewd over zijn Wallen-aanpak. De geestelijk vader van het uitsterfbeleid in het gebied stelde:

“We hebben geleerd in dit gebied dat de criminaliteit er zo massaal is. Er zaten daar 450 raambordelen, 75 coffeeshops, 19 gokhallen op een piepklein stukje van een oude middeleeuwse stad. En daarvan zeiden politie en justitie: dat kunnen we eenvoudigweg nooit bolwerken. Dus we hadden geen andere keuze dan ingrijpen in de stad zelf.”

De ‘massale criminaliteit’ in het wallengebied heeft volgens Asscher geleid tot Project 1012, omdat politie en justitie het niet meer konden bolwerken. Is dat zo? De agent op straat laat een heel ander geluid horen; namelijk dat het op de Wallen al jaren een oase is van rust vergeleken met andere uitgaansgebieden zoals op en rond het Leidseplein en het Rembrandtplein waar elk weekend de Mobiele Eenheid klaarstaat om snel in te kunnen grijpen bij criminaliteit.

De feiten
Er is helemaal geen sprake van ‘massale criminaliteit’ op de Wallen, zoals Asscher beweert. Ook niet van ’19 gokhallen’. Een verband leggen tussen automatenhallen en ‘massale criminaliteit’ is sowieso absurd. In 1998 is reeds aangetoond dat veronderstelde criminogene factoren in de speelhallenbranche niet overeenstemmen met de praktijk, dat speelhallen op zichzelf geen criminaliteit aantrekken en dat in de speelhallenbranche witwassen niet of nauwelijks voorkomt.

Wat betreft de spreiding van speelautomatenhallen moet onderscheid worden gemaakt tussen de Wallen en winkelgebied Damrak/Nieuwendijk, dat ook tot het postcodegebied 1012 behoort. Dat doet de Kamer van Koophandel in 2008 wél in haar Economische Visie op het Postcodegebied 1012. De KvK noemt enerzijds het wallengebied (prostitutie, horeca, erotisch entertainment) en anderzijds het winkelgebied Damrak/Nieuwendijk (‘De Rode Loper’) en stelt vast dat het speelautomatenaanbod zich concentreert in het winkelgebied Damrak/Nieuwendijk. Het rapport van de Kamer van Koophandel werd aangeboden aan Lodewijk Asscher en verdween onmiddellijk in zijn onderste bureaula. Asscher en consorten dulden geen nuancering en verkondigen liever de boodschap van de vele (‘grote’) speelhallen als belangrijke factor waarom het op de Wallen uit de hand is gelopen.

Het werkelijke aantal speelautomatenhallen op de Wallen staat in geen enkel gemeentelijk stuk vermeld. Welnu; in het wallengebied waren in 2008, toen de Kamer van Koophandel het gebied onderzocht, vijf kleine automatenhallen gevestigd. Inmiddels zijn hiervan nog maar twee actief. De grootste was mijn eigen, thans nog gesloten, speelhal in de Molensteeg met een vergunning voor een bescheiden aantal van 40 automaten.

In het winkelgebied Damrak/Nieuwendijk zijn de grotere speelautomatenhallen te vinden, waarvan sommigen met vergunningen voor 100 of meer automaten. De grootste speelhal aan het Damrak is Carrousel Arcade, gevestigd in een oud bioscoopgebouw waar ooit Cineac Damrak was gevestigd, met een vergunning voor 225 automaten, en een veelvoud aan spelersplaatsen. Opgeteld passen alle vergunde automaten van de vijf speelhallen op de Wallen met gemak in die ene speelautomatenhal op het Damrak.

Carrousel Arcade Damrak

Als we kijken naar het aantal vergunde speelautomaten in de speelhallen, dan zou de leegstandsbepaling erin resulteren dat 92% van het speelautomatenaanbod zich concentreert in het winkelgebied rond het Damrak en de Nieuwendijk, terwijl deze functie goed past op de Wallen.

Resumé; er bestaan helemaal geen ‘8 grote speelhallen’ in het wallengebied, zoals Lodewijk Asscher in 2007 verkondigde. En helemaal geen ‘19’ zoals dezelfde Asscher de luisteraars van Radio 1 wijsmaakte in december 2011. Als er al sprake zou zijn van een overaanbod aan speelautomaten in het postcodegebied, dan betreft dat het winkelgebied Damrak/Nieuwendijk.

Speelhallenbeleid hoofdstad
Waarom is na de sluiting van mijn speelhallen aan de bestaande uitsterfregeling een leegstandsbepaling toegevoegd? Wie kwam op dat onzalige idee? Op grond waarvan werd dit vanuit het belang van een goede ruimtelijke ordening ineens noodzakelijk geacht? In elk geval niet omdat de gemeente zich in speelhallen heeft verdiept. Men kent het werkelijke aantal speelhallen op de Wallen niet eens, of doet alsof men het niet weet. De gemeente heeft ook geen beleid gevoerd. Dat bevestigt een bestuurder van stadsdeel Centrum op 8 februari 2013 in een e-mail aan een 1012-ambtenaar die voor een andere exploitant onderzocht of deze zijn speelhallen mag samenvoegen of verhuizen. Die e-mail is in het kader van een Wob-procedure openbaar geworden. De bestuurder schrijft aan de ambtenaar:

“We hebben binnen het stadsdeel ons beraden over wel of niet meewerken aan initiatieven voor verplaatsing van automatenhallen. Voor het meewerken aan initiatieven zijn wij afhankelijk van de medewerking van de gemeente. Dat wordt gecompliceerd door twee redenen. De eerste is dat veel tijd moet worden besteed aan de abdicatie. Ook andere dringende onderwerpen vragen veel tijd. Ik weet dat de Burgemeester zich bovendien in alle aspecten rond automatenhallen wil verdiepen. Mijn inschatting is dat het lang gaat duren voordat duidelijkheid is over het meewerken aan initiatieven.”

De voorzitter van de speelautomatenbranchevereniging Frits Huffnagel liet mij onlangs weten dat een gesprek over het speelhallenbeleid in Amsterdam, waarin de burgemeester zich laat voorlichten ‘over alle aspecten rond automatenhallen’, nog steeds niet heeft plaatsgevonden. De bestuurder van stadsdeel Centrum gaf het al aan: het gaat lang duren voordat de burgemeester zich hierin verdiept omdat andere onderwerpen veel tijd vragen. We zijn inmiddels meer dan anderhalf jaar verder, en een integraal speelhallenbeleid is er nog steeds niet in de hoofdstad, behalve dat ze met een uitsterfregeling en een leegstandsbepaling worden teruggedrongen. Maar die leegstandsbepaling wordt nu geschrapt omdat het eigenlijk best meevalt met het aantal speelhallen op de Wallen.

Laat dit een goede les zijn voor journalisten die geneigd zijn blind te varen op uitspraken van politici en bestuurders als Lodewijk Asscher, en ook voor de Raad voor de Journalistiek die als stelregel hanteert dat journalisten die geen wederhoor plegen en alleen putten uit bronnen van de overheid, in beginsel mogen uitgaan van de juistheid van door deze bronnen verstrekte informatie, als dat informatie van feitelijke aard betreft.

[1] Nota Beleidsaanpassingen bestemmingsplangebied 1012, d.d. 27 sept. 2011

[2] In de Strategienota wordt een overzicht gegeven van de aantallen criminogene en economisch laagwaardige functies in het postcodegebied 1012 in 2007: 444. In 2011 bedraagt deze stand (op basis van beleidsdocumenten en berekening van de rekenkamer) 491. Hoewel het aantal raambordelen is gedaald met 30, zijn de aantallen massagesalons, minisupermarkten en souvenirwinkels toegenomen met, respectievelijk, 21, 5 en 55.

[3] Toespraak locoburgemeester Lodewijk Asscher: “Verhalen uit de praktijk”, Conferentie Maastricht, Crowne Plaza Hotel, d.d. 12 september 2007

Bestemmingsplan postcodegebied 1012

Maandag 6 oktober en dinsdag 7 oktober a.s. behandelt de Raad van State alle beroepschriften tegen ‘Bestemmingsplan Postcodegebied 1012’, een van de instrumenten waarmee de gemeente doelstellingen van Project 1012 hoopt te bereiken. In dit nieuwe bestemmingsplan zijn de beleidsaanpassingen verwerkt die de gemeente in staat moeten stellen ‘de criminaliteit en criminogene functies tegen te gaan en de kwaliteit van het oude stadshart van Amsterdam te verbeteren.’

Behalve de ‘Nota beleidsaanpassingen bestemmingsplangebied 1012, 2011’, zijn ook beleidsdocumenten zoals de ‘Strategienota Coalitieproject 1012, Hart van Amsterdam’, de ‘Woonvisie Stadsdeel centrum 2008-2012’ en het ‘Horecabeleidsplan 2008’ van invloed geweest op het bestemmingsplan.

Op 7 maart 2013 sloot de termijn waarin kon worden gereageerd op het ontwerp van het bestemmingsplan. Daarna is ongekend snel en met spelfouten geantwoord op zienswijzen van instellingen, ondernemers en bewoners. De meeste bezwaren werden met een simpele redenering afgedaan als ongegrond, en op 11 september 2013 trad het nieuwe bestemmingsplan al in werking. Dat leidde tot weer tot tientallen beroepschriften waarvoor de Raad van State twee dagen heeft uitgetrokken om die te behandelen.

De voornaamste kritiek op ‘Bestemmingsplan Postcodegebied 1012’ is dat het op onzorgvuldige wijze is voorbereid, dat een adequate en draagkrachtige motivering ontbreekt en dat het plan in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast zijn er specifieke bezwaren naar voren gebracht die betrekking hebben op individuele gevallen.

Uitsterfbeleid
De stadsdeelraad van stadsdeel Centrum is van oordeel dat door henzelf als ‘criminogeen’ en ‘economisch laagwaardig’ bestempelde functies zorgen voor een ‘criminele infrastructuur’ in postcodegebied 1012. Onder ‘criminogene’ en ‘economisch laagwaardige functies’ verstaat de stadsdeelraad onder andere raambordelen, sekswinkels, massagesalons, souvenirwinkels, minisupermarkten, belwinkels, headshops, smartshops en speelautomatenhallen. Om deze ‘criminele infrastructuur’ te ontmantelen dienen de hiervoor genoemde functies te worden teruggedrongen, zo heeft de deelraad besloten. Om dit te bewerkstelligen is in het nieuwe bestemmingsplan een uitsterfregeling opgenomen, dat bij functies zoals speelautomatenhallen verder gaat dan is vastgesteld in de ‘Nota beleidsaanpassingen bestemmingsplangebied 1012’.

Een ‘uit te sterven functie’ mag niet worden hervat nadat deze is beëindigd en op deze locatie een gewenste en toegelaten functies binnen de bestemming is gerealiseerd. Dat stond ook al in het vorige bestemmingsplan ‘Burgwallen’. Nieuw is een daaraan toegevoegde ‘leegstandsbepaling’. Die houdt in dat indien een bedrijfsruimte een jaar niet ten behoeve van de ‘uit te sterven functie’ is gebruikt, deze functie niet meer in het pand is toegestaan.

De uitsterfregeling in het nieuwe bestemmingsplan houdt feitelijk in: het wegbestemmen van functies die nog in overeenstemming waren met het bestemmingsplan ‘Burgwallen’ uit 2005, en die toen het belang van een goede ruimtelijke ordening wél dienden. Rechtszekerheid vereist dat gebruik dat onder het oude bestemmingsplan is toegestaan, opnieuw positief moet worden bestemd in een opvolgend bestemmingsplan, tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn die in een individueel geval een besluit tot het wegbestemmen van dat gebruik rechtvaardigen. Het zou dan moeten gaan om nieuwe inzichten die tot het wijzigen van het toegestane gebruik moeten leiden. Deze nieuwe inzichten moeten zwaarder wegen dan het algemene en zwaarwegende belang van rechtszekerheid.

In de ontwerpfase kon de stadsdeelraad niet duidelijk maken welk ‘nieuw’ inzicht is ontstaan waardoor functies in het gebied moeten worden wegbestemd. Dat brengt namelijk ook financiële consequenties met zich mee. Indien het voorheen toegestane gebruik ineens komt te vervallen, maken bedrijven die hiermee te maken krijgen aanspraak op een planschadevergoeding. Zij komen immers in een financieel aanzienlijk slechtere positie te verkeren dan wanneer het ontwerpbestemmingsplan ongewijzigd zou worden vastgesteld. Schade waarmee het nieuwe bestemmingsplan geen rekening houdt.

Meer kritiek
Behalve over het uitsterfbeleid hebben instellingen en ondernemers in hun beroepschriften meer bezwaren tegen Bestemmingsplan Postcodegebied 1012. Een samenvatting:

  • Het bestemmingsplan is geen middel om criminaliteit te bestrijden
    Uit de toelichting van het ontwerp blijkt dat het nieuwe bestemmingsplan 1012 onder meer is bedoeld om een vermeende ‘criminele infrastructuur’ binnen het plangebied te ontmantelen. Een bestemmingsplan is echter geen strafrechtelijk instrument maar dient te zorgen voor een goede ruimtelijke ordening. Om criminaliteit te bestrijden staan het Openbaar Ministerie en het stadsbestuur voldoende andere middelen ter beschikking, zoals het Wetboek van Strafrecht, de Algemene Plaatselijke Verordening en de Wet Bibob.
  • Het bestemmingsplan werkt marktwerking tegen
    Het bestemmingsplan 1012 regelt concurrentieverhoudingen en werkt de natuurlijke marktwerking binnen het plangebied tegen. Daar is een bestemmingsplan niet voor bedoeld.
    Het nieuwe plan beïnvloedt het proces van vraag en aanbod dat heeft geleid tot de huidige functiespreiding conform het bestemmingsplan ‘Burgwallen’ uit 2005. Dat is niet verouderd. Het bestemmingsplan ‘Burgwallen’ bood meer dan voldoende ruimte voor verschillende functies.
  • Overlast en verstoring leefklimaat niet aangetoond
    De toelichting van het ontwerp van Bestemmingsplan 1012 stelt dat ‘laagwaardige functies’ zouden zorgen voor overlast en onleefbaarheid. Deze stelling wordt niet onderbouwd door recent, diepgravend en onafhankelijk onderzoek.
    Een mix van functies dat in bestemmingsplan ‘Burgwallen’ aanvaardbaar was, wordt plotseling onaanvaardbaar gevonden zonder dat feitelijk is aangetoond dat sprake is van zoveel overlast dat daardoor de leefbaarheid in het plangebied aan het verdwijnen is. Overlast is een breed begrip en kan op verschillende manieren worden veroorzaakt en worden voorkomen. Hetzelfde geldt voor de leefbaarheid. In een in 2010 door de gemeente Amsterdam opgestelde ‘leefbaarheidsindex’ wordt overlast vanwege ‘ongewenste’ of ‘laagwaardige functies’ nergens genoemd.
  • Bestemmingsplannen 2005 en 2013 hebben tegenstrijdige beleidsdoelen
    In de toelichting van het bestemmingsplan ‘Burgwallen’ uit 2005 wordt gesteld dat ‘voorkomen moet worden dat het wonen teveel gaat domineren’. In de toelichting van het ontwerp van Bestemmingsplan 1012 wordt ineens gesteld dat ‘omwille van de functiebalans binnen het plangebied’ wordt gestreefd naar het intensiveren van de woonfunctie. Dit zijn twee tegenstrijdige beleidsdoelstellingen binnen een tijdspanne van 8 jaar.
  • Bestemmingsplan is niet consistent
    Uit de toelichting van het ontwerp blijkt dat het nieuwe bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van horeca 3 (cafés) en horeca 4 (restaurants). Dit verhoudt zich niet met de stelling dat overlast door bewoners en ondernemers een van de redenen is om tot de gewenste transformatie te komen. Uit het leefbaarheidsonderzoek van de gemeente blijkt dat horecagelegenheden in de praktijk overlast veroorzaken. En als de gemeente écht overlastbestrijding nastreeft, zou de deelraad zich ook op andere factoren moeten richten, zoals overlast door zwervers en daklozen, die al jarenlang hoog scoren in de index. Daar gaat het bestemmingplan geheel aan voorbij.
  • Risico planschadeclaims als gevolg van uitsterfbeleid niet onderkend
    Over de economische uitvoerbaarheid van het nieuwe bestemmingsplan wordt in de toelichting vermeld dat hiervoor geen exploitatieplan opgesteld hoeft te worden. Het ontwerp miskent daarmee dat ten aanzien van het eigendom van veel ondernemers sprake is van het wegbestemmen van gebruiksmogelijkheden waardoor zij schade leiden. Door deze beperking van de gebruiksmogelijkheden moet daarom rekening worden gehouden met planschade. Gelet op de vele weg te bestemmen functies en de grootte van het gebied, zal het aantal claims talrijk zijn. Het bestemmingsplan houdt daar geen rekening mee.
  • Uitvoerbaarheid transformatie onzeker
    Zolang de uit te sterven functies niet worden gestaakt, zal transformatie uitblijven. Daarom moet worden betwijfeld of de gewenste transformatie van het plangebied daadwerkelijk binnen de planperiode van 10 jaren kan worden gerealiseerd.
    Het beleid om ondernemers financieel te stimuleren als zij een ‘laagwaardige’ en ‘overlast gevende’ functie transformeren in een functie die past binnen de doelstelling van Coalitieproject 1012, heeft duidelijk gefaald.
    Van het hiervoor bestemde budget ad. € 3.750.000,- is nu € 2.750.000,- gereserveerd voor het betalen van planschades bij het opkopen van panden op strategische locaties met een ‘criminogene’ functie (behalve raambordelen) door ‘partners’ van de gemeente. De liquiditeit van deze partners (Ymere, de Key, NV Stadsgoed) ziet er ondertussen niet meer zo rooskleurig uit als vóór de eerdere aankopen van panden met een ‘criminogene’ functie. Ymere is door de Minister van Financiën zelfs onder verscherpt toezicht geplaatst.

Actuele stand van zaken
Het Bestemmingsplan Postcodegebied 1012 met de ingrijpende uitsterfregeling is ondanks alle kritiek toch op 11 september 2013 van kracht geworden. Dat had tot gevolg dat tientallen beroepschriften zijn ingediend bij de Raad van State, waaronder mijn eigen beroepschrift dat maandagochtend 6 oktober wordt behandeld. ‘s Middags zijn de Bijenkorf en Hotel l’Europe aan de beurt. Dinsdag 7 oktober gaat het voornamelijk over de nieuwe Universiteitsbibliotheek op het Binnengasthuisterrein. De verwachting is dat de Raad van State in december 2014 in alle zaken uitspraak zal doen.

De Rode Loper

Het selectieve geheugen van Fred Teeven

staatssecretaris van Justitie Fred Teeven (© NOS)Fred Teeven is opnieuw in opspraak. Eerder dit jaar ging het om een omstreden ‘witwasdeal’ die hij in 2000 als Officier van Justitie sloot met Cees H. waarbij de belastingdienst het nakijken had. Gisteren kwam de NOS met het bericht dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is beschuldigd van meineed door de advocaat van de weduwe van de in 2006 geliquideerde kroegbaas Thomas van der Bijl.

De weduwe verwijt Teeven dat hij in 2006 als Officier van Justitie heeft verzuimd om zijn ‘bedreigde getuige’ Van der Bijl adequaat te beschermen en wil de Staat der Nederlanden hiervoor aansprakelijk stellen. Om dit nader te onderzoeken vond op 17 april 2014 bij de rechter-commissaris een voorlopig getuigenverhoor plaats waar Teeven nogal vergeetachtig was. Om zijn eigen reputatie te beschermen en de Staat der Nederlanden te behoeden voor een schadeclaim door de nabestaanden van Van der Bijl, denkt advocaat Jop Fellinger die de weduwe bijstaat in deze zaak. De advocaat meent dat de staatssecretaris valse verklaringen aflegt, zaken verdraait en essentiële informatie verzwijgt. Dat zijn zware beschuldigingen aan het adres van Teeven.

“Ik weet alles”
Toen een journalist de staatssecretaris op 12 maart 2014 om tekst en uitleg vroeg over de witwasdeal met Cees H., antwoordde Teeven zelfverzekerd voor camera en microfoon: “U weet maar een klein beetje, en ik weet alles.” En: “Ik kan me alles herinneren van wat er in die zaak gegaan is. U gaat uit van een conclusie, maar laat de minister u nou informeren. Dat lijkt me gewoon handig.”

Minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten hield vol dat 750.000 gulden aan H. was overgemaakt, terwijl de raadsman van H. beweerde dat dit ruim 5.000.000 gulden is geweest. Dat is nogal een verschil. De advocaten van H. hebben hun beroepsgeheim maar de overheid moet openheid van zaken geven omdat de belastingdienst is benadeeld. Vandaar dat er Kamervragen werden gesteld.

De minister was niet in staat de Kamer te informeren hoeveel daadwerkelijk aan Cees H. was betaald omdat van de overboeking naar de betreffende bankrekening geen relevante stukken meer voor handen waren. Althans dat beweerde de minister. Ook binnen het ministerie wist niemand meer het fijne ervan. De betrokken ambtenaren hebben “onvoldoende herinneringen” aan de feitelijke financiële afwikkeling, heet dat in Justitie-jargon. “Derhalve kunnen geen onderbouwde uitspraken worden gedaan over wat aan Cees H. bij de financiële afwikkeling van de schikking feitelijk is overgemaakt.”

Toen ik dat begin juni 2014 las in NRC, gingen mijn gedachten terug naar Teeven die enkele maanden daarvoor op televisie in volle overtuiging had geroepen: U weet maar een klein beetje, en ik weet alles.” En: Ik kan me alles herinneren van wat er in die zaak gegaan is.” Zo komt Teeven ook over, als iemand die echt alles wil weten, tot achter het naadje van de kous aan toe. Daarvoor tastte hij als officier de grenzen af van wat wettelijk is toegestaan en pionierde hij al met kroongetuigen voordat dit fenomeen bestond in Nederland.

Parlementaire enquêtecommissie Van Traa
De deal met Cees H. sloot Teeven 14 jaar geleden. De kwestie waarvoor Teeven in april jl. als getuige is verschenen is van recentere datum. Hoe die zaak precies is gegaan, daarvan moet Teeven zich eveneens nog ‘alles’ kunnen herinneren. Waarschijnlijk bezorgt het hem zelfs nachtmerries, wetende hoe het met Van der Bijl is afgelopen. Maar als Teeven hierover onder ede moet verklaren is plotseling sprake van geheugenverlies zo blijkt uit het bericht van de NOS. Dat roept herinneringen op aan Teevens getuigenis voor de Parlementaire enquêtecommissie Van Traa in de jaren negentig. Die commissie onderzocht ontoelaatbare opsporingsmethoden van de politie. Via zijn contacten bij het Amsterdamse Openbaar Ministerie had Teeven er in 1991 en 1992 voor gezorgd dat drie containers met in totaal 30.000 kilo soft drugs niet door de douane zijn gecontroleerd en vervolgens werden getransporteerd ‘in de richting waarvoor het onderzoeksteam belangstelling had’. Van doorgelaten containers in het zogenaamde sigarettentraject wist Teeven geen aantallen meer te noemen. ‘Nee, het is geen geheugenverlies, absoluut niet. Maar ik weet niet of het er 70 zijn of 40 zijn of 10 zijn. Ik weet het echt niet’, verzekerde hij de Parlementaire Enquêtecommissie enkele jaren later.

Teeven en de weduwe
Toen Thomas van der Bijl nog leefde kenden Fred Teeven en de weduwe elkaar al. Dat viel op bij het beluisteren van de geluidsopnamen van de verklaring die Van der Bijl op 26 januari 2005 aflegde in aanwezigheid van Teeven. Ik heb dat eerder beschreven in ‘Dikke Willem’ dat handelt over een van de getuigenissen van Van der Bijl waarin over en weer wordt gespeculeerd wie toch die ‘Dikke Willem’ is.

Teeven’s eerdere getuigenissen
Als verdachte heb ik Fred Teeven ook een keer mogen ondervragen in een officieel getuigenverhoor. Dat verhoor vond plaats op 23 maart 2009 in de Bunker in Osdorp tijdens het hoger beroep van het zogeheten ‘Holleeder-proces’. Teeven was opgeroepen om te getuigen over zijn rol als Officier van Justitie in dat proces, en met name over zijn betrokkenheid bij de getuigenissen van Thomas van der Bijl en diens status als ‘Anonieme Bedreigde Getuige’. Als ik mijn eigen verslagen van Teeven’s getuigenissen nu teruglees, kampte Teeven in 2009 al met geheugenverlies zodra het ging over Van der Bijl, die in aanwezigheid van Teeven een ontlastende verklaring over mij had afgelegd, wat buiten het proces-verbaal van dat verhoor werd gehouden.

Door goed je huiswerk te doen, een beetje geluk en wat hulp van een rechter of raadsheer lukt het soms om geslepen lieden als Teeven, die door het veinzen van geheugenverlies geen verantwoordelijkheid nemen, hun fouten ruiterlijk te laten erkennen. In mijn geval was het geen geluk maar een eerlijke verbalisant die aan het begin van het hoger beroep bij de rechter-commissaris opbiechtte dat de verhoren van Van der Bijl waren opgenomen. Pas toen kwam Teeven’s collega Koos Plooij aanzetten met de geluidsopnamen van de verhoren en bleek dat Van der Bijl op een cruciaal punt, althans voor mij, anders had verklaard dan was geverbaliseerd. Het tegenovergestelde zelfs. Teeven ging aan het einde van die bewuste zitting van 23 maart 2009 door het stof. Gelukkig voor hem waren de meeste journalisten al naar huis. Op een enkeling na.

Zie ook: Fred Teeven getuigt (1) en Fred Teeven getuigt (2)

 

 

Holland Casino zwijgt over werkelijke oorzaak financiële malaise

Medewerkers van Holland Casino leggen vandaag het werk neer voor een beter sociaal plan, een fatsoenlijk bestuur en een betere CAO. De afgelopen weken staakten werknemers van diverse vestigingen van Holland Casino al eerder uit onvrede over de koers die het bedrijf vaart, maar ditmaal gaat het om een landelijke 24-uurs staking. Bij het staatcasino, dat momenteel onder curatele van banken staat, zijn de afgelopen jaren als gevolg van reorganisatie en bezuinigingen honderden banen verdwenen. 

Financiële problemen
Op 4 oktober 2013 schrijft Elsevier over de financiële problemen bij Holland Casino: ‘Het gaat al jaren slecht met het staatsgokbedrijf door de opkomst van gokken op internet en gokhallen. De afgelopen vijf jaar daalde de omzet met 30 procent. In 2012 draaide het bedrijf een verlies van bijna zeven ton. Dit jaar ‘stevenen we af op een groter verlies’, liet het bedrijf donderdag weten.’

In dat artikel wijt interim-topman Willem-Jan van Dijssel de financiële problemen waarmee Holland Casino te kampen heeft aan het strenge beleid dat het bedrijf voert om gokverslaving en witwassen te voorkomen. Als gevolg daarvan zouden in de loop der jaren ‘wellicht’ 25.000 vaste klanten zijn weggejaagd.

‘Gezellig avondje uit’
In 2011 voerde Holland Casino de in 2008 ingezette reorganisatie aan als reden van de slechte resultaten in 2009 en 2010: ‘Vanaf 2008 heeft Holland Casino te kampen met een dalende omzet. Om het tij te keren, wil het gokbedrijf de komende jaren meer investeren. Verschillende casino’s worden verbouwd. De nadruk komt te liggen op ‘een gezellig avondje uit’, met theater en restaurants. Het bedrijf hoopt zo mensen die het casino nu incidenteel bezoeken, vaker naar het casino te lokken,’ schrijft de Volkskrant op 3 mei 2011.

Kansspelspecialist Sytze Kingma, verbonden aan de Vrije Universiteit, stelt in hetzelfde artikel dat de financiële problemen bij Holland Casino ‘van structurele aard’ zijn. Het bedrijf is volgens Kingma ‘te duur’ om na de liberalisering van de gokmarkt fatsoenlijk te kunnen concurreren met buitenlandse partijen. ‘De personeelskosten zijn erg hoog, vooral in vergelijking met internationale gokbedrijven. Daarnaast zijn de huisvesting en marketing ook een grote kostenpost,’ aldus Kingma.

Zo kan ik nog tientallen publicaties aanhalen waarin Holland Casino structureel zwijgt over de werkelijke reden waardoor het staatscasino in financiële problemen is gekomen. Om het proces van verval te volgen gaan we terug naar 2006, als Holland Casino haar jaarverslag van 2005 presenteert.

Kansspelbelasting omhoog
Per 1 januari 2006 wordt het kansspelbelastingtarief – aanvankelijk bedoeld voor een periode van één jaar – verhoogd van 25% naar 29%. Deze verhoging dient ter compensatie van het afschaffen van de heffing op schenkingen aan goede doelen waardoor de Staat anders jaarlijks zo’n € 40 miljoen zou mislopen. Het tarief bij ‘casinospelen’, geheven op prijzen boven € 454, gaat omhoog van 33,33% naar 40,85%. Holland Casino kondigt deze verhoging aan in haar jaarverslag van 2005:

‘Op prijzen die bruto worden uitgekeerd (waarbij de prijswinnaar de kansspelbelasting moet afdragen) wordt de kansspelbelasting dus met 4% verhoogd naar 29%. Op prijzen die netto worden uitgekeerd (waarbij de aanbieder de kansspelbelasting afdraagt) wordt het tarief verhoogd naar 40,85%. In formulevorm: 100/71 x 29%. Holland Casino neemt voor alle prijzen de kansspelbelasting voor haar rekening en keert dus netto uit.’

Voor Holland Casino maakte de verhoging niets uit. In het jaarverslag 2005 stelt het staatscasino:

‘Gezien het feit dat Holland Casino elk jaar de nettowinst alsook de diverse belastingheffingen afdraagt aan de schatkist, en een verhoging van de kansspelbelasting resulteert in een lagere nettowinst, heeft deze verandering in de Wet op de Kansspelen vooralsnog geen verdere consequenties voor de bedrijfsvoering van de organisatie c.q. de totale afdracht aan de overheid.’

Voor kansspelondernemers die hun netto winst niet aan de schatkist hoeven af te dragen, zou een verhoging van belasting wél uitmaken. Dit tast rechtstreeks de winstgevendheid en het vermogen om te kunnen investeren aan, wat ook gevolgen heeft voor de werkgelegenheid. Holland Casino maakt zich in 2006 geen zorgen, zolang er maar winst wordt gemaakt. Speelautomatenexploitanten ook niet, want omzet met speelautomaten is belast met 19% btw, en niet met 29% kansspelbelasting.

Jan Kees de Jager (CDA)
Jan Kees de Jager (CDA)

Belastingmaatregel per 1 juli 2008
Dat wordt anders als het Kabinet in 2007 besluit speelautomaten onder het kansspelbelastingregime te brengen. In het Belastingplan 2008 dat de Kamer op 18 december 2007 heeft aanvaard, is een maatregel opgenomen om de opbrengst van speelautomaten onder het regime voor casinospelen te brengen. Dit zou volgens toenmalig staatssecretaris van Financiën Jan Kees de Jager (CDA) betekenen dat in plaats van 19% btw voortaan 29% kansspelbelasting betaald zal moeten worden. In werkelijkheid ging het percentage omhoog van 19% naar 40,85%, maar daarover straks meer.

Voorafgaand aan de invoering van de maatregel per 1 juli 2008 schrijft staatssecretaris De Jager in zijn toelichting aan de Eerste Kamer:

‘Het kabinet heeft hiertoe besloten, omdat het van mening is dat het vanuit oogpunt van fiscale gelijkheid niet logisch is kansspelen op automaten anders te behandelen dan casinospelen op tafel. Het betreft soortgelijke spelen op een andere wijze aangeboden. Daardoor ontstaat voor alle kansspelen een consistenter en neutraler regime: alle kansspelen onder de kansspelbelasting en geen onderscheid tussen een casinospel of tafel of op een automaat.’

De belastingmaatregel komt voort uit een eerder bedachte stelselwijziging om toekomstige inkomsten uit online gaming te kunnen belasten met kansspelbelasting als dat later wordt gelegaliseerd. Initiator hiervan was toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm (VVD).

Gegoochel met tarief en grondslag
Elke belastingverhoging of het invoeren van een nieuwe heffing drukt de winst van bedrijven. Zeker in tijd van economische crisis moet je daar als overheid voorzichtig mee omgaan. De speelautomatenbranche en Holland Casino kunnen wel wat missen moet de regering in Den Haag hebben gedacht, want halverwege 2008, toen de economische crisis begon, wilde de overheid de belasting op speelautomatenopbrengsten fors verhogen van 19% naar 40,85%.

Na bezwaren van de branche tegen die verhoging sprak staatssecretaris De Jager sussende woorden en beloofde hij de Eerste Kamer dat hij het voorgenomen tarief zou verlagen van 40,85% naar 29%.

Dat de maatregel een verhoging van de belastingdruk zou betekenen van 19% naar 29% stond vervolgens keurig vermeld in de brief die de belastingdienst op 4 juni 2008 stuurde naar alle eigenaren van speelautomaten. De inspecteur schrijft daarin: ‘Vanaf 1 juli 2008 moet er over de opbrengst van kansspelautomaten kansspelbelasting (29%) worden betaald in plaats van btw (19%).’

Maar een percentage zegt niets als de grondslag waarover belasting wordt geheven duister is. En laat nou ook de grondslag zijn gewijzigd. Dat vertelden de slimme heren van de belastingdienst pas nadat de maatregel op 1 juli 2008 van kracht was geworden.

In een brief van 25 juli 2008 deelde de belastingdienst alle eigenaren van speelautomaten, dus ook Holland Casino, mede dat belasting nu werd geheven van de bruto spelopbrengst, dus over de bruto omzet in plaats van de netto omzet. In feite ging het dus tóch om een belastingverhoging van 19% btw naar 40,85% kansspelbelasting. En dat maakt nogal een verschil. Niet alleen voor de particuliere speelautomatenbranche maar ook voor Holland Casino.

Bij Holland Casino daalde de netto winst vanaf 2008 fors, terwijl voor de Staat de inkomsten uit kansspelbelasting toenamen, zoals hieronder te zien is in de grafieken van Elsevier en op de website van het CBS. Noodkreten uit de speelautomatenbranche dat de belastingdruk te hoog is om nog een rendabel kansspelbedrijf te runnen wuifden De Jager en zijn opvolger Frans Weekers (VVD) vrolijk weg.

Bezoeken Holland Casino 2007-2011 (elsevier 20-4-2013)
Bezoeken Holland Casino 2007-2011 (© Elsevier 20-4-2013)

Winst Holland Casino 2007-2011 (elsevier 20-4-2013)
Winst Holland Casino 2007-2011 (© Elsevier 20-4-2013)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verhoging kansspelbelasting betekent lagere netto winst
De statistieken wijzen het uit. De Staat int sinds 2006, het jaar dat het tarief ‘tijdelijk’ stijgt van 25% naar 29%, meer kansspelbelasting, en de netto winst bij Holland Casino keldert. Vooral de belastingmaatregel per 1 juli 2008 hakt er in. Zoals Holland Casino al schreef in haar jaarverslag van 2005: een verhoging van de kansspelbelasting resulteert in een lagere netto winst. In plaats van de netto winst draagt Holland Casino sinds 2008 vooral kansspelbelasting af aan de overheid. De overheid is dus zelf verantwoordelijk voor de malaise bij Holland Casino die sinds 2008 gaande is, en dus ook voor de hierdoor ontslagen medewerkers.

Uitspraak gerechtshof
In een procedure die een eigenaar/exploitant van speelautomaten tegen de Staat had aangespannen over de schade als gevolg van de invoering van kansspelbelasting bij speelautomaten, oordeelde het gerechtshof Amsterdam op 19 juli 2012 in niet mis te verstane woorden. In het persbericht stelt het hof:

‘Het hof vindt dat de heffing van kansspelbelasting over de opbrengst van kansspelautomaten strijdig is met het grondrecht op ongestoord genot van eigendom. Dit grondrecht is opgenomen in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het hof komt tot dit oordeel op grond van de wijze waarop de desbetreffende wetgeving tot stand is gekomen. Bij de invoering ervan (per 1 juli 2008) was de wetgever ermee bekend dat ten minste een substantieel deel van de exploitanten (de exploitanten van kansspelautomaten in de horeca) met hun exploitatieactiviteiten in een structurele verliespositie terecht zou (kunnen) komen. De wetgever heeft dat risico bewust aanvaard. Het hof is van oordeel dat een dergelijk effect een ernstige inbreuk op het eigendomsgrondrecht van deze exploitanten oplevert. Het vindt die inbreuk zo ernstig dat de wetgever destijds niet heeft kunnen volstaan met het vermelden van een aantal mogelijkheden tot compensatie van het economische effect van deze wetgeving. De wetgever heeft daarbij namelijk nagelaten om het realiteitsgehalte van deze mogelijkheden nader te onderzoeken en/of te kwantificeren. Daardoor heeft de wetgever de ruime beoordelingsmarge die hem in beginsel toekomt, overschreden. En daarom voldoet deze wetgeving niet aan het vereiste van de zogenoemde ‘fair balance.’

Frans Weekers (VVD)
Frans Weekers (VVD)

Vragen Eerste Kamer
Naar aanleiding van de uitspraak van het hof vroeg de Eerste Kamer op 5 oktober 2012 aan staatssecretaris van Financiën Weekers wat de regering ervan vindt dat de invoering van een belastingmaatregel de winstgevendheid van de sector volledig doet verdampen. In zijn beantwoording van de vragen uit de Eerste Kamer schreef Weekers op 24 januari 2013 het volgende:

‘Een belastingmaatregel heeft nooit als doel het wegnemen van de winstgevendheid van een sector. Dat geldt ook voor de invoering van de kansspelbelasting bij de kansspelautomaten. Het primaire doel van deze maatregel is gelijke behandeling van speelautomaten met de tafelspelen in casino’s. Dat neemt niet weg dat deze gelijke behandeling een negatieve invloed heeft gehad op de winstgevendheid van de kansspelautomatensector. De regering heeft dit knelpunt ook in een vroeg stadium gesignaleerd en actief gezocht naar oplossingen. Reeds door het verlagen van het in eerste instantie voorziene tarief van 40,85% naar 29% zou de winstgevendheid van de sector hersteld worden, mits de sector ook zelf maatregelen zou nemen om de bedrijfsvoering aan te passen. Uit het Verslag van bevindingen van de kansspelautomatensector bleek dat het aantal faillissementen zeer beperkt is gebleven. Daaruit kan worden afgeleid dat de maatregel de branche niet onevenredig zwaar heeft getroffen.’

Van 40,85% naar 29%, en weer terug naar 40,85%
De bewering van Weekers dat door het verlagen van het in eerste instantie voorziene tarief van 40,85% naar 29% de winstgevendheid van de sector zou worden hersteld, is ongehoord in het licht van het gegoochel met het tarief en de grondslag door zijn voorganger. Het oorspronkelijk geplande tarief zou (na kritiek uit de branche) van 40,85% worden aangepast naar 29%, maar doordat ook de grondslag wijzigde, bleek de beloofde verlaging een sigaar uit eigen doos. De truc van rekenwonder De Jager zorgde ervoor dat de belastingheffing in de praktijk tóch van 19% naar 40,85% steeg, zoals oorspronkelijk was bedoeld, maar dat de overheid in haar uitingen 29% als percentage kon blijven noemen, omdat dit percentage expliciet in wetgeving is vastgelegd, en het hanteren van een andere grondslag dan bij de btw-heffing niet.    

Branche wél onevenredig zwaar getroffen
Dat het aantal faillissementen in de branche beperkt is gebleven, zoals de staatssecretaris in zijn antwoord beweert, zegt weinig tot niets over het effect van de maatregel. Kansspelondernemers maakten vóór 2008 winst en hebben daardoor vermogen opgebouwd om niet onmiddellijk failliet te hoeven gaan. Hetzelfde geldt voor Holland Casino. Dat draait al jaren verlies, maar is niet failliet. Sinds de belastingmaatregel heeft Holland Casino honderden medewerkers moeten ontslaan, maar daar rept de staatssecretaris niet over. In elk geval toont de situatie bij Holland Casino aan dat de maatregel uit 2008 de branche wel degelijk ‘onevenredig zwaar heeft getroffen.’

Kansspelautoriteit
Opvallend is nog dat de hogere kansspelbelastinginkomsten niet zijn aangewend voor de oprichting en kosten van de reeds in 2007 aangekondigde Kansspelautoriteit. Hiervoor werd weer een nieuwe heffing bedacht en geïntroduceerd: de kansspelheffing, die eigenaren van speelautomaten, dus ook Holland Casino, vanaf 1 april 2012 aan de Kansspelautoriteit dienen te betalen. Deze kansspelautoriteit moet gaan waken over de binnenkort te legaliseren kansspelen op internet waar Holland Casino al veel in heeft geïnvesteerd en reikhalzend naar uitkijkt.

Kansspelbelasting bij online casino’s wordt 20%
Voor kansspelen die legaal via het internet aangeboden gaan worden geldt straks een kansspelbelastingtarief van 20%. Dat staat in een wetsvoorstel van staatssecretaris van Veiligheid & Justitie Fred Teeven en staatssecretaris van Financiën Weekers. Normaal gesproken gaat alleen het ministerie van Financiën over belastingen, maar vergunningen en handhaving vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Veiligheid & Justitie. Vandaar het gezamenlijk optrekken van beide staatssecretarissen.

Lager belastingtarief voor gokken op internet (FD 23-5-2013)
Lager belastingtarief voor gokken op internet (© FD 23-5-2013)

Bij casinotafelspelen en speelautomaten blijft het percentage van 29% gehandhaafd vinden de VVD-ers Teeven en Weekers, want de overheid kan de sinds 2008 gestegen opbrengst aan kansspelbelasting niet meer missen. ‘Dit is niet uit te leggen’, zegt een woordvoerder van Holland Casino op 23 mei 2013 in het Financieel Dagblad.

De wetgeving die dit allemaal moet regelen wordt thans bestudeerd door de Raad van State en zou 1 januari 2015 van kracht moeten worden. De speelautomatenbrancheorganisatie VAN heeft bij monde van haar voorzitter Frits Huffnagel (VVD) in februari van dit jaar haar bezwaren kenbaar gemaakt bij de Raad van State. De VAN is onder meer tegen een gedifferentieerd kansspelbelastingtarief waarbij online aanbieders een belastingvoordeel krijgen en maar 20% kansspelbelasting hoeven af te dragen. Reden voor dit lagere tarief is dat online casino’s bij een kansspelbelastingtarief van 29% naar verwachting niet in de rij zullen staan om in Nederland een vergunning aan te vragen. In Malta, dat in 2004 als eerste EU-land online gaming legaliseerde, geldt een tarief van slechts 0,5%.

De meeste online casino’s, die nu nog vanuit het buitenland opereren, vinden 20% te hoog. Er zijn ook andere bezwaren tegen het wetsvoorstel zo laat woordvoerder Robin Linschoten van STIOG (Stichting Online Gaming Nederland) in juli 2013 weten in een brief aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Alweer een VVD-er die zich met kansspelen bemoeit.

Oplossing: fiscale gelijkheid
Hoge belastingen schaden het ondernemersklimaat. Dat zouden met name alle VVD-ers die bij het kansspelbeleid betrokken zijn (geweest) toch moeten weten. Grote investeringen worden uitgesteld of afgeblazen. Branche en overheid staan al jaren lijnrecht tegenover elkaar. Ook Holland Casino is hiervan slachtoffer, maar kan zich hier niet in mengen, en wijst af en toe zelfs ‘gokhallen’ aan als oorzaak van de eigen belabberde winstcijfers. Kennelijk heeft de directie van de Staat een spreekverbod opgelegd gekregen om de belastingmaatregel uit 2008 te noemen als belangrijke oorzaak van de financiële problemen.

Juist nu er volop wordt gestaakt zou je een kritische houding en meer onderzoek verwachten van de media, maar de berichten over Holland Casino blijven doorgaans beperkt tot twee, hooguit drie alinea’s. Journalisten zouden bij de overheid en het CBS moeten aandringen om recente statistieken te presenteren van de kansspelbranche en de stijging van de kansspelbelastinginkomsten van de Staat. Op mijn mails wordt al enige tijd niet meer gereageerd.

Het wachten is op een volgende gerechtelijke uitspraak over de kansspelbelastingmaatregel uit 2008, terwijl een oplossing die alle partijen tevreden zou stellen voor de hand ligt: hanteer per 1 januari 2015 in de gehele kansspelbranche, zowel online als offline, gewoon hetzelfde tarief: 20%.

Door het kansspelbelastingtarief bij offline gaming te verlagen van 29% naar 20% worden Holland Casino en de speelautomatenbranche vanzelf weer winstgevend en neemt de bereidheid om te investeren toe. Dit schept nieuwe werkgelegenheid in plaats van dat dit banen kost.

Als tegenprestatie zal de branche bereid moeten zijn alle schadeclaims en bezwaarprocedures tegen de overheid te staken of in te trekken. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor het hoger beroep dat de Staat bij de Hoge Raad heeft aangespannen tegen de hiervoor genoemde uitspraak van het hof.

Bijkomend voordeel van deze oplossing is dat Holland Casino, dat op de nominatie staat te worden verkocht, bij verkoop nog wat oplevert voor de Staat, omdat bij een normaler belastingregime meer kandidaat-kopers bereid zullen zijn een bod uit te brengen waar de Staat tevreden mee kan zijn. Bij handhaving van 29% kansspelbelasting blijft Holland Casino verliesgevend, of met wat geluk zoals in 2011, resteert een klein plusje onderaan de streep, maar veel ruimte om te investeren is er niet meer. In het normale bedrijfsleven is een bedrijf dat niet investeert gedoemd ermee op te houden.

‘Het betreft soortgelijke spelen op een andere wijze aangeboden’
Het beste argument om één kansspelbelastingtarief aan te houden komt van de overheid zelf, door het online aanbod op internet te betrekken bij de motivatie die tarievengoochelaar Jan Kees de Jager de Eerste Kamer in 2008 voorhield. Dan staat er:

‘Vanuit het oogpunt van fiscale gelijkheid is het niet logisch om kansspelen op automaten en casinospelen op tafel anders te behandelen dan kansspelen die via het internet worden aangeboden. Het betreft soortgelijke spelen op een andere wijze aangeboden. Daardoor ontstaat voor alle kansspelen een consistenter en neutraler regime.’

En wie wil dat nou niet, een consistenter en neutraler kansspelbelastingregime?

Trots op de Wallen (2)

Toeristen op de wallen

In 2004 noemde de gemeente de Wallen nog ‘een buurt om trots op te zijn’. Wat is er in hemelsnaam gebeurd waardoor dat inzicht in zo’n korte tijd is gewijzigd? ‘Trots op de Wallen’ deel 1 en 2 is een terugblik op een bewogen geschiedenis achter Project 1012 en een tot nog toe in de media onbekend gebleven rol van het Integraal Burgwallen Overleg (IBO).

-vervolg-

De arrestatie en strafrechtelijke vervolging van Willem Holleeder en de Bibob-procedure tegen Charles Geerts beheersen in 2006 en 2007 voor een belangrijk deel de berichtgeving over de Wallen in de media. De boodschap ‘De Wallen: een buurt om trots op te zijn’ uit het Wallenjournaal van juni 2004, maakt plaats voor een heel ander geluid over het gebied waar volgens de burgemeester onderwereldfiguren de baas zijn. De hulp van de landelijke overheid wordt ingeroepen en Project Emergo wordt opgetuigd, een samenwerking tussen gemeente, politie, justitie en de belastingdienst om de veronderstelde georganiseerde misdaad op de Wallen in kaart te brengen.     

Op het stadhuis wordt ondertussen hard gewerkt aan een plan om de beweerde ‘criminele infrastructuur’ op de Wallen te ontmantelen en het gebied te ‘upgraden’. In het kader van het Emergo-project wordt relevante informatie uitgewisseld over personen en bedrijven die actief zijn op de Wallen. De ogen en oren van de gemeente in het gebied zijn enkele wallenbewoners die de gemeente periodiek van informatie voorzien. Zij hebben ook een stem bij de invulling van het nieuwe plan. 

Eind 2007 wordt een nieuw plan van aanpak gepresenteerd: de Wallen worden ‘opgeschoond’ waarbij de helft van alle ramen zal verdwijnen.  

Piet Leeghwater
Wallenbewoner en gemeenteadviseur Gerrit van de Veen spreekt in februari 2008 op Nieuw Amsterdams Peil (NAP), ‘bedoeld voor nieuwsgierige Amsterdammers en gemaakt door studenten van de opleiding Journalistiek en Media van de Universiteit van Amsterdam’, zijn waardering uit over de nieuwe koers die de gemeente vaart op de Wallen. Onder een gefingeerde naam ‘Piet Leeghwater’ stelt Van de Veen:   

‘Eindelijk gerechtigheid. Ik ben zo blij dat er eindelijk iets gebeurt. Iedereen loopt te mekkeren dat die Bibob wet zo’n rare wet is. Dat is het helemaal niet. Criminelen glipten vroeger overal tussendoor, dan moet er dus een andere manier komen om het criminele volk aan te pakken. Die is er nu.’

‘60 tot 70% van alle ramen zal verdwijnen, maar van mij mogen ze alle ramen sluiten. Er is een beeld gecreëerd van een Erotisch Walhalla. Hoezo zouden de hoeren bij de Wallen horen? Ik zou niet weten waarom je ramen zou moeten hebben waarachter vrouwen staan te huppelen.’

‘In de tijd met Van Traa waren de Wallen een no-go-area waar je de overheid niet tegenkwam. Een buurt vol met drugs- en witwaspraktijken. Toen kon zo’n vriend als Holleeder zijn praktijken nog gewoon uitoefenen. Dat hij hier vijf panden had, dat was hier al jaren bekend, maar er gebeurde niks. Politie, justitie of de fiscus zag je niet in de buurt. Er liepen wel agenten op straat, maar dat was niet genoeg. Jullie moeten ook achter de gevels kijken riepen we jarenlang.’

‘Dat het zo lang duurde met die Bibob wet, daar kijk ik niet van op. Dat kost jaren. Nu pas sneuvelen de eerste criminelen. Die zijn nu boos dat hun panden worden afgepakt. Maar het criminele volk heeft zijn hand overspeeld. Geen wonder dat de overheid op een gegeven moment zegt: zo kan het niet langer. Ze hadden het allemaal kunnen weten. Als ze wat minder gejat, geroofd en gestolen hadden, dan hadden ze nou de gemeente ook niet achter zich aan gehad. ‘Iedereen roept nu: die Charles Geerts, wat een aardige, charmante man, maar die aardige man heeft er wel voor gezorgd dat al die vrouwenhandelaren in die panden konden. En dat hij door de fiscus door twaalf miljoen is afgekocht van de fiscus, daar hoor je ook niemand meer over. Die demonstratie van Platform 1012 was puur kul. De horeca, de coffeeshops, de mensen die geld verdienen op de Wallen, die liepen mee, maar bewoners niet.’

‘Ik ben niet bang dat er opeens minder toeristen naar de Wallen zullen komen als er geen hoeren meer zitten. Wat er nu komt, willen we graag kwijt. Wie wil er nou dronken Engelsen? Ja, coffeeshops, slaapzaalexploitanten en verkeerde horeca. Het mikken is nu op een ander soort toeristen, op betere toeristen die van een hapje en een drankje houden en kunst en architectuur kunnen waarderen.’

Het hele interview met Van de Veen leest u in ‘Hoerenlopen deed je vroeger stilletjes‘.

Het Integraal Burgwallen Overleg
Over toeristen, de belangrijkste bron van inkomsten voor wallenondernemers, stelt Van de Veen: “Wat er nu komt, willen we graag kwijt.” Met ‘we’ doelt Van der Veen op het Integraal Burgwallen Overleg (IBO), een clubje gepassioneerde en goed georganiseerde wallenbewoners, waar hij zelf deel van uitmaakt, met veel invloed in de gemeentepolitiek. Ambtenaren, bestuurders en een verdwaalde ondernemer nemen ook deel aan dat overleg.

Het IBO werd ruim 10 jaar geleden op initiatief van de gemeente opgericht en komt regelmatig bijeen in het stadhuis. Het IBO bemoeit zich met het gemeentebeleid, de prostitutie, eigenlijk met alles op en rondom de wallen. 

‘Het Integraal Burgwallen Overleg buigt zich al meer dan tien jaar over alle mogelijke problemen, plannen, voorstellen en acties en komt dan met reacties daarop. Het stadsbestuur nam de standpunten van het IBO altijd zeer serieus. In feite is de aftrap voor de hele 1012-aanpak gegeven door een alarm over de situatie op de Wallen vanuit het IBO’.

Dat schreef IBO-voorzitter Bart Robbers (D66) vorig jaar in een brief aan de gemeenteraad waarin hij zich erover beklaagt dat een voorstel over de sluitingstijden van raambordelen niet overeenkomt met het standpunt van het IBO.

Engelse toeristen op Wallen
Foto © Jan van Breda

Cohen: “Engelse toeristen veroorzaken overlast op Wallen”
De Engelse toerist staat voor een aantal wallenbewoners symbool voor overlast. Het besluit om raamprostitutie flink terug te dringen is dan ook niet genomen om vrouwenhandel tegen te gaan, zoals Asscher en de gemeente altijd hebben verkondigd, maar vooral om invloedrijke bewoners te plezieren. Die hebben hun buik vol van Engelse toeristen die massaal naar de Wallen komen en daar luidruchtig feestvieren met schaars geklede dames achter de ramen als spannend decor.

De échte beweegreden achter de wallenaanpak liet toenmalig PvdA-burgemeester Job Cohen zich begin 2008 al eens ontvallen in de Britse pers. Toen de opschoning van de Wallen ter sprake kwam, klaagde Cohen niet over vrouwenhandel maar over groepen Engelse toeristen die naar de Wallen kwamen en daar overlast veroorzaakten, dit tot woede van veel wallenondernemers die goed verdienen aan de Engelsen, en Engelse burgers, die zich door de discriminerende uitspraken van Cohen niet meer welkom voelden in Amsterdam en uitweken naar Praag en andere steden.

‘Betere toeristen die van een hapje en een drankje houden’
De wallenbewoners in het IBO konden de actie van Cohen wel waarderen, want zoals Van de Veen aangaf mikt het IBO op ‘
betere toeristen die van een hapje en een drankje houden en kunst en architectuur kunnen waarderen.’  Wat het IBO betreft kan die transformatie niet snel genoeg gaan. Een grote groep als ‘criminogeen’ weggezette ondernemers in de buurt en hun personeel, waarvan het gros buiten het centrum woont, denken daar anders over. Maar naar hen wordt niet geluisterd, ook al heb je 170 medewerkers in dienst, zoals Jan Otten. Het zijn immers de bewoners die kiesrecht hebben in stadsdeel Centrum en de bestuurders daar aan de macht brengen en houden. Conclusie is dat niet de beweerde maffia, niet de politie, niet de ondernemers maar een select clubje bewoners met veel invloed in de gemeentepolitiek de dienst uitmaakt op de Wallen en Project 1012 beschouwen als de kroon op hun lobbywerk.    

 

Noot 1: tijdens de strafrechtelijke procedure tegen Willem Holleeder (van 2006 t/m 2009) bleef niets over van de verdenking dat de ‘topcrimineel’ seks- en gokpanden had op de Wallen. Het beslag dat begin 2006 in verband met de vervolging van Holleeder was gelegd op enkele wallenpanden, werd in 2010 opgeheven.

Noot 2: de eerste uitspraak in de bestuursrechtelijke procedure tegen Geerts viel uit in het voordeel van Geerts, waarop de gemeente besloot de Bibob-procedure te staken en Geerts voor een bedrag van € 25 miljoen uit te kopen.   

Noot 3: het Emergo-onderzoek van het Ministerie van Justitie concludeerde in 2011 dat van door toenmalig burgemeester Cohen en wethouder Asscher beweerde maffia-achtige structuren die de Wallen in hun greep hadden, helemaal geen sprake was.