Reinier van Zutphen stopt als ombudsman

Volgend jaar neemt Reinier van Zutphen afscheid als Nationale ombudsman. Zijn wettelijke termijn zit erop. Ik zal er geen traan om laten. Daar heb ik zo mijn redenen voor.

Bestuursrechter
Voordat Van Zutphen Nationale ombudsman werd, was hij voorzitter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Als voorzitter van de zittingscombinatie die mijn Bibob-zaak tegen de gemeente Amsterdam behandelde, oordeelde Van Zutphen in 2012 dat toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan de exploitatievergunningen voor mijn speelhallen terecht op grond van de Wet Bibob had geweigerd. Had ik in 2003 maar geen geld moeten lenen van Jan-Dirk Paarlberg. Kort gezegd kwam de uitspraak daarop neer.

Een principiële overweging in de uitspraak van Van Zutphen en twee collega’s is mij vooral bijgebleven. Het College stelde zich op het standpunt dat een bestuursrechter onder bepaalde omstandigheden zelfstandig mag oordelen dat iemand strafbare feiten heeft gepleegd, ook wanneer die persoon daarvoor door de strafrechter is vrijgesproken. Dat vond ik destijds al een merkwaardig standpunt dat toen werd gedeeld door oud-minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin en landsadvocaat Reimer Veldhuis.

Die overweging vond en vind ik nog steeds principieel en fundamenteel onjuist. Als een bestuursrechter zich bevoegd acht om, ondanks een vrijspraak, vast te stellen dat iemand de strafbare feiten tóch heeft gepleegd, vervaagt de scheidslijn tussen bestuursrecht en strafrecht. Daarmee wordt de betekenis van een strafrechtelijke vrijspraak ernstig gerelativeerd. Maar misschien was dit juist de bedoeling van die overweging.

Gemiste kans
Jaren later had ik opnieuw te maken met Van Zutphen, ditmaal als Nationale ombudsman.

Ik diende bij hem een klacht in over de wijze waarop het Openbaar Ministerie, en in het bijzonder officier van justitie Lars Stempher, zich tegenover mij had gedragen. Stempher besloot mij in coronajaar 2020 opnieuw strafrechtelijk te vervolgen voor witwassen nadat ik had geweigerd een onware verklaring af te leggen in de strafzaak Vandros tegen Willem Holleeder. Mijn klacht ging over de wijze waarop het OM zijn bevoegdheden had gebruikt wat ik als ongeoorloofde druk en chantage heb ervaren.

Juist daarvoor is het instituut de Nationale ombudsman in het leven geroepen: om onafhankelijk te onderzoeken of de overheid zich behoorlijk heeft gedragen. Maar dat onderzoek kwam er niet. Van Zutphen nam mijn klacht niet in behandeling. Volgens de Nationale ombudsman stond mijn woord tegenover dat van de officier van justitie die ontkende dat hij had gedreigd met vervolging als ik niet bereid was te verklaren dát mijn panden op de Wallen eigenlijk van Willem Holleeder zouden zijn, wat feitelijk niet zo is.  

Toen ik de officier tijdens dat gesprek in juli 2020 vroeg hoe hij het afleggen van zo’n door het OM gewenste verklaring voor zich zag, zei hij letterlijk: “Wij gaan die verklaring niet voor u dicteren meneer Kaatee. U zult dat zelf, in uw eigen woorden moeten verklaren.”

Op 26 oktober 2021 heb ik bij het gerechtshof Amsterdam in het hoger beroep van Vandros als getuige onder ede uitvoerig verklaard over het gesprek van 3 juli 2020 en de druk die tijdens dat gesprek op mij werd uitgeoefend. Stempher was als advocaat-generaal aanwezig en heeft mijn verklaring op geen enkel punt weersproken.

De ontkenning
Recent, op 27 mei 2026, maakte het OM een e-mail uit 2023 van Lars Stempher – wiens naam onleesbaar is gemaakt in het Woo-document – openbaar waarin de officier ontkent op 3 juli 2020 te hebben gedreigd met vervolging.  

‘Nooit sprake geweest van enige dreiging’ (met vervolging), schrijft Stempher op 28 april 2023 aan collega’s.

Waarheidsvinding, waar het OM voor hoort te staan, verdraagt zich slecht met officieren van justitie die onwaarheden verkondigen.

Opvallend
In andere dossiers is de Nationale ombudsman wél kritisch geweest op het Openbaar Ministerie. Van Zutphen heeft meerdere klachten gegrond verklaard en het OM op de vingers getikt wanneer de klachtbehandeling of het optreden niet aan de eisen van behoorlijk bestuur voldeed. Waarom niet in mijn dossier?

Van een Nationaal ombudsman mag je verwachten dat een klacht over mogelijk onbehoorlijk overheidshandelen serieus en onafhankelijk wordt onderzocht. Dat is in mijn geval niet gebeurd.

Het vertrouwen in de rechtsstaat
Vanaf mijn arrestatie in Citypeak in 1997 beslaat mijn strafdossier met de steeds terugkerende verdenking inmiddels bijna dertig jaar. In die periode heb ik van het OM een kennisgeving niet verdere vervolging ontvangen, ben ik alsnog vervolgd in Kolbak, vrijgesproken, opnieuw vervolgd in Terrel en in 2024 in eerste aanleg alweer vrijgesproken.

Toen ik mijn klacht indiende, was nog onduidelijk hoe de laatste strafzaak in hoger beroep zou aflopen. Op 1 mei 2026 verklaarde het gerechtshof Amsterdam het OM niet-ontvankelijk wegens schending van het beginsel ne bis in idem. Het OM had de strafzaak Terrel in 2020 niet mogen beginnen na de mislukte chantagepoging van de officier van justitie om een onware maar bruikbare verklaring tegen Holleeder af te dwingen.

Achteraf bezien blijkt dat mijn klacht over het optreden van het OM in 2020 niet uit de lucht was gegrepen. De Nationale ombudsman had die klacht niet zo lichtzinnig terzijde mogen schuiven omdat de betrokken officier ontkende te hebben gedreigd met vervolging. Juist daarom had hij de klacht onafhankelijk moeten onderzoeken.

Opvolger
Ik wens Reinier van Zutphen persoonlijk alle goeds. Maar als Nationale ombudsman heeft hij een kans laten liggen om te laten zien dat het Openbaar Ministerie niet onaantastbaar is en boven onafhankelijke controle staat.

Terugkijkend zie ik een patroon. Eerst als bestuursrechter en later als Nationale ombudsman koos Van Zutphen er in mijn zaken niet voor om de overheid kritisch te begrenzen, maar om haar ruime beoordelingsvrijheid te laten, of een klacht niet in behandeling te nemen. Daarom zal ik zijn vertrek niet betreuren.

Ik hoop dat zijn opvolger bereid is om juist dáár het verschil te maken: door zelfs de machtigste overheidsinstantie, het OM, zonder terughoudendheid aan de maatstaf van behoorlijk bestuur te toetsen. De Nationale ombudsman is het laatste vangnet voor burgers die vinden dat de overheid zich onbehoorlijk heeft gedragen. Als dat vangnet in gevoelige zaken niet functioneert, raakt dat niet alleen burgers met jarenlang voortslepende dossiers, zoals het mijne, maar ook het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat.  


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.