Politie aan de deur

Gisteren werd om twee uur ’s middags aangebeld. Voor de portiekdeur stond een jonge politieagent. Zijn dienstauto had hij half op het fietspad geparkeerd. De agent had mijn vriendin Priscilla al door het keukenraam gezien. Doen alsof er niemand thuis was, zat er dus niet meer in. Priscilla deed open nadat de agent had aangebeld en riep naar mij: “Politie, het zal wel voor jou zijn.”

Drie brieven
De agent vertelde – nadat ik had bevestigd wie ik was – dat hij namens het Openbaar Ministerie drie brieven aan mij kwam ‘uitreiken’. Twee daarvan waren identiek, niet ondertekend en aan mij geadresseerd. De derde brief was geadresseerd aan mijn advocaat. Alle drie de brieven waren gedateerd op 8 mei 2026 en hadden als onderwerp: Aanzegging inzake beroep in cassatie.

Uitspraak van het gerechtshof
Dat was geen nieuwe informatie. Het OM had op 7 mei 2026 cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof van 1 mei 2026 waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard. Het hof oordeelde dat het OM het ne bis in idem-beginsel had geschonden door, ondanks mijn onherroepelijke vrijspraak in 2009, in 2020 een nieuwe strafzaak tegen mij te beginnen op dezelfde verdenking: het witwassen van panden op de Wallen.

Ne bis in idem is een internationaal gerespecteerd rechtsbeginsel dat niemand tweemaal voor hetzelfde feit strafrechtelijk mag worden vervolgd.

Cassatie al lang bekend
Dat de advocaat-generaal cassatie had ingesteld was mij al lang bekend. De schriftelijke aanzegging van 8 mei die gisteren werd ‘uitgereikt’ had ik maanden geleden al van het OM ontvangen. Mijn advocaat Oscar Pluimer had zich daarna op 17 mei 2026 officieel als mijn raadsman bij de Hoge Raad gesteld. De cassatieprocedure loopt dus al enige tijd. Waarom verschijnt de politie dan bijna drie maanden later aan mijn deur met precies dezelfde aanzegging?

Geen afschrift  
Ik moest mij legitimeren en een vooraf met een blauwe pen ingevuld bewijs van ontvangst ondertekenen. Toen ik mijn legitimatie had getoond en mijn handtekening had gezet, vroeg ik de agent of ik met mijn iPhone een foto mocht maken van het document dat ik zojuist had ondertekend. Dat mocht niet, ook niet nadat ik erop had aangedrongen.

“U krijgt het document vanzelf als het aan uw dossier wordt toegevoegd”, was zijn reactie. Ook dat vond ik opmerkelijk. Ik vind het niet meer dan vanzelfsprekend dat je, als je daarom vraagt, een afschrift krijgt van een document van de overheid waarop je zojuist je handtekening hebt gezet.

Midden op de dag
Wat mij ook opviel was het tijdstip van het bezoek. Midden op de dag. Wij wonen op een druk kruispunt, langs een druk fietspad. Een politieauto die op het fietspad rijdt en stopt, een agent die aanbelt, dat wordt opgemerkt. Een politieauto voor de deur trekt sowieso bekijks. Buren kijken nieuwsgierig uit het raam. Fietsers vertragen. Voorbijgangers blijven staan. Zij kennen de achtergrond niet. Zij weten niet dat de agent slechts een formele aanzegging kwam betekenen waarvan de inhoud al maanden bekend was.

Buren trekken hun eigen conclusies. Zij zien een agent die bij ons aanbelt en denken: “Wat is er nu weer aan de hand met Kaatee?” Buurtbewoners die er al wat langer wonen en de politieauto voor onze woning zien staan vragen zich af: “Is dat niet waar de politie jaren geleden naar lijken heeft gezocht?”

Bedenkingen
Ik maak de agent geen verwijt. Hij voerde gewoon een opdracht uit. Maar was voor deze formaliteit een opzichtig politiebezoek noodzakelijk? Het ging om een mededeling die ik al maanden eerder had ontvangen, in een cassatieprocedure die al geruime tijd loopt. Misschien is er een logische juridische verklaring voor dit handelen. Zolang die uitleg niet wordt gegeven, heb ik mijn bedenkingen bij het doel van dit politiebezoek.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.