Het laatste woord dat ik niet (in zijn geheel) mocht uitspreken

Op 2 september 2026 behandelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vier hogerberoepszaken die verband houden met mijn sinds 2012 gesloten speelhallen, de verkoop daarvan en de door overheidsinstanties gecreëerde en jarenlang in stand gehouden Bibob-problematiek rond deze verkoop.

De procedures
Twee hogerberoepszaken betroffen procedures van de koper, de heer E.F. La Lau; in twee andere zaken was ik zelf de zogeheten ‘appellant’, dus degene die hoger beroep had ingesteld in procedures over besluiten van de Kansspelautoriteit.

Samenhang en persoonlijke gevolgen
Aan het einde van de zitting wilde ik een persoonlijk woord richten tot de Afdeling. Na bijna twintig jaar procedures vond ik het belangrijk om de samenhang en de persoonlijke gevolgen daarvan onder woorden te brengen. Eerst ben ik strafrechtelijk vervolgd en in 2009 integraal vrijgesproken. De bestuursrechtelijke procedure werd ondanks die vrijspraak voortgezet en heeft mij uiteindelijk mijn goedlopende speelhallen gekost. Vervolgens werd de verkoop van de hallen structureel gefrustreerd door met elkaar samenwerkende overheidsinstanties, waaronder het Openbaar Ministerie (OM).

In 2020 werd ik zelfs opnieuw strafrechtelijk vervolgd, terwijl tegelijkertijd ook bestuursrechtelijk de oude verdenkingen een rol bleven spelen. In november 2024 volgde opnieuw een vrijspraak en op 1 mei 2026 verklaarde het gerechtshof het OM, dat tegen mijn vrijspraak hoger beroep had ingesteld, niet-ontvankelijk in de vervolging. Ik was namelijk al eerder vervolgd voor hetzelfde strafbare feit en onherroepelijk vrijgesproken.

Voorzitter staat geen volledig laatste woord toe
Voorzitter mr. Nico Verheij stond mij aan het einde van de zitting van 2 september niet toe mijn drie pagina’s tellende persoonlijke woord volledig voor te dragen. Al tijdens de inleiding kapte hij mij af, waarna ik slechts enkele passages naar voren heb kunnen brengen. Dat stelde mij zeer teleur.

Na de juridische en technische discussies van die dag wilde ik de staatsraden duidelijk maken welke gevolgen de opeenvolging van strafrechtelijke én bestuursrechtelijke procedures in de praktijk voor mij en mijn bedrijven heeft gehad, en de Afdeling de elementaire vraag stellen die voor mij persoonlijk centraal staat: wat is een definitief rechterlijk oordeel waard wanneer dezelfde verdenkingen via andere procedures en overheidsinstanties telkens blijven terugkomen? Hoeveel vrijspraken zijn er nodig om hier een einde aan te laten komen?

Omdat ik op 2 september jl. niet de gelegenheid kreeg mijn persoonlijke woord volledig uit te spreken, publiceer ik het hierbij in zijn geheel op mijn website.

Persoonlijk woord aan de Afdeling

Geachte voorzitter, geachte leden van de Afdeling,

Het kost mij, na bijna twintig jaar waarin ik door verschillende overheidsinstanties telkens opnieuw met dezelfde verdenkingen ben geconfronteerd, moeite om niet cynisch te worden.

Op 3 juli 2009 ben ik in de strafzaak Kolbak integraal en onherroepelijk vrijgesproken. Het gerechtshof achtte niet bewezen dat de Wallenpanden die ik in 2002 had gekocht uit afpersing of enig ander misdrijf afkomstig waren.

Die vrijspraak zorgde er helaas niet voor dat ik mijn speelhallen kon voortzetten. In 2012 oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat de burgemeester mij – ondanks die vrijspraak – nieuwe exploitatievergunningen mocht weigeren. Daardoor moest ik tot mijn grote verdriet mijn speelhallen – mijn kindjes – sluiten en mijn personeel ontslaan.

Verkoop moest een einde maken aan de Bibob-problemen
Om de nog resterende miljoenenschuld, die vandaag nog steeds boven mijn hoofd hangt, te kunnen aflossen en een nieuwe zakelijke toekomst op te bouwen, was ik genoodzaakt de hallen en de panden waarin zij zijn gevestigd te verkopen. De belangrijkste oorzaak van alle problemen lag namelijk in de financiering die ik in 2003 bij Jan-Dirk Paarlberg had afgesloten. De speelhallen en panden waren onderpand van die leningen.

Voordat ik in 2013 in contact kwam met de heer La Lau, heb ik met verschillende andere bonafide exploitanten gesproken en onderhandeld. Geen van hen bleek uiteindelijk bereid de bedrijven en de panden voor de door mij verlangde koopsom over te nemen. De heer La Lau was dat wel. In het huurcontract dat ik in 2014 met hem sloot, is overeengekomen dat de huurtermijnen – met instemming van de heer Paarlberg én het Openbaar Ministerie – rechtstreeks aan het OM zouden worden betaald.

Om mijn nog resterende schuld van € 2,8 miljoen van de oorspronkelijke hoofdsom van € 4 miljoen in één keer definitief te kunnen afwikkelen, heb ik uiteindelijk in 2018 mijn speelhallen en de panden waarin zij zijn gevestigd aan de heer La Lau verkocht.

In de koopcontracten en de daaraan verbonden kwijtingsverklaring is vastgelegd dat die € 2,8 miljoen via de notaris aan de Staat wordt betaald en de oude financiële band met Paarlberg volledig wordt doorgesneden. Ik heb dus steeds geprobeerd hetzelfde te bereiken: een einde maken aan een financiële relatie die mij door de overheid al jarenlang wordt tegengeworpen.

Dát is de achtergrond van mijn zakelijke relatie met de heer La Lau. Niet een verborgen belang van iemand anders, maar de eenvoudige werkelijkheid dat ik na de gedwongen sluiting van mijn bedrijven een bonafide exploitant zocht die bereid was de hallen voort te zetten. Nadat andere exploitanten waren afgehaakt, was de heer La Lau de enige die instemde met de koopsom en de gekozen constructie: vanaf 2014 zou de huur rechtstreeks naar het OM gaan. Later zou ook de koopprijs rechtstreeks aan de Staat worden voldaan. Maar ook dat bleek niet het einde.

“Rustig afwachten en uitroken”
In een interne gemeentelijke e-mail over de toekomst van mijn speelhallen werd in 2013 geschreven: “rustig afwachten en uitroken.” Die e-mail kwam eind 2021 bij een Wob-procedure aan het licht. Die ene zin verklaarde voor mij een heleboel.

In 2020 begon het Openbaar Ministerie vervolgens opnieuw een strafvervolging wegens het witwassen van dezelfde Wallenpanden. In november 2024 heeft de rechtbank mij daar opnieuw van vrijgesproken. Op 1 mei van dit jaar heeft het gerechtshof Amsterdam dat vonnis vernietigd en het OM in de vervolging niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft geoordeeld dat het ging om hetzelfde feit waarover in 2009 al onherroepelijk was beslist. Tegen dat arrest loopt cassatie.

Wat mij na al die jaren vooral bezighoudt, is niet alleen mijn onderneming of mijn financiële belang. Het gaat om iets fundamentelers: wat is een onherroepelijke vrijspraak waard als dezelfde verdenking daarna, via andere procedures en andere overheidsinstanties, steeds blijft terugkomen?

Waarom ik mij opnieuw tot de Afdeling richt
Als uw Afdeling in 2014 en 2015 anders had beslist, hadden wij hier bijvoorbeeld niet eens gestaan. De gemeente Amsterdam wilde toen met een nieuw bestemmingsplan voor postcodegebied 1012 de speelhalbestemming van onder meer Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 beëindigen. Uw Afdeling heeft daar toen een streep door gezet.

Zonder uw uitspraak was de speelhalbestemming van deze panden door de gemeente beëindigd en was er uiteindelijk ook niets meer geweest waarvoor de heer La Lau vergunningen had kunnen aanvragen. Dan hadden wij hier vandaag eenvoudigweg niet meer kunnen aankloppen.

In de jaren erna ben ik vaker genoodzaakt geweest om bij uw Afdeling bescherming te zoeken tegen besluiten van de gemeente die rechtstreeks gevolgen hadden voor mijn panden en ondernemingen. In 2014 en 2015 was dat zelfs beslissend voor hun voortbestaan als speelhallocaties. Ook later heb ik besluiten over mijn panden aan uw Afdeling moeten voorleggen. Dat is voor mij reden waarom ik hier vandaag opnieuw persoonlijk het woord tot u wil richten.

Rechtszekerheid
Ik vraag uw Afdeling betekenis toe te kennen aan wat rechters en raadsheren hebben beslist én aan wat er feitelijk gebeurt als deze transactie eindelijk kan worden uitgevoerd: de resterende € 2,8 miljoen wordt aan de Staat voldaan en de financiële banden die al vele jaren als een probleem zijn beschouwd, worden beëindigd.

Het tegenstrijdige is dat de oplossing waarmee ik de jarenlang bekritiseerde financiële relatie definitief probeer te beëindigen, reden lijkt te zijn om de transactie juist niet tot uitvoering te laten komen.

Sinds het arrest van het Amsterdamse gerechtshof van 1 mei 2026 is ne bis in idem voor mij niet langer een abstract juridisch beginsel waarvan jarenlang werd betwist dat het op mijn nieuwe strafzaak van toepassing was. Het hof heeft geoordeeld dat ook ik na een definitieve rechterlijke beslissing niet opnieuw voor hetzelfde feit mag worden vervolgd. Dat raakt de kern van een nog breder geldend beginsel: rechtszekerheid. Een burger moet er op enig moment op kunnen vertrouwen dat een definitief rechterlijk oordeel ook in de praktijk iets betekent. Na bijna twintig jaar hoop ik dat aan die rechtszekerheid door uw Afdeling betekenis wordt gegeven.

Eén gedachte over “Het laatste woord dat ik niet (in zijn geheel) mocht uitspreken”

  1. De rechter zat er schijnbaar niet op te wachten dat alles en iedereen wat meende jou te moeten vervolgen of te frustreren al die jaren terecht gewezen werd. Een duidelijk laatste woord.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.