Brief aan korpschef Janny Knol (4)

Deel 4 van mijn brief aan korpschef Janny Knol handelt over het door het Openbaar Ministerie, door de gemeente Amsterdam en later door de rechtbank Amsterdam bagatelliseren en ondermijnen van mijn integrale en onherroepelijke vrijspraak op 3 juli 2009 van alle ten laste gelegde feiten in Kolbak, waaronder het beweerde witwassen van ‘de Wallenpanden’, door het gerechtshof.

‘Voor altijd verdacht’
Toen in 2010 en in 2011 artikelen in de media verschenen met opvallende koppen als ‘Voor altijd verdacht’ en ‘Eens vrijgesproken, altijd ’n boef’, heb ik de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak noch de president van de Hoge Raad publiekelijk horen verkondigen dat een onherroepelijke gerechtelijk uitspraak dient te worden gerespecteerd omdat anders de rechtstaat erodeert.   

‘Adjudant van Holleeder’
De indruk van journalisten dat het OM mij – ondanks mijn vrijspraak in 2009 – ‘voor altijd’ als verdachte beschouwt, ontstond tijdens de behandeling van de strafzaak tegen de heer Paarlberg in 2010. Het OM toonde toen weinig respect voor mijn vrijspraak van nog geen jaar eerder.

In het Paarlberg-requisitoir staken de aanklagers in die zaak, de officieren Koos Plooij en Michiel Zwinkels, niet onder stoelen of banken mij schuldig te achten aan strafbare feiten waarvan eerst de rechtbank en daarna het hof mij in mijn eigen strafzaak hadden vrijgesproken. In hun requisitoir bestempelden ze mij als de ‘adjudant van Holleeder’ zonder wiens ‘hulp’ de afpersing van de heer Endstra via de heer Paarlberg niet had kunnen plaatsvinden. Ik was hoogst verbaasd en boos op het OM toen ik dat van een journaliste van dagblad De Pers vernam. Van die onterechte en kwalijke beschuldigingen had het gerechtshof mij in 2009 juist vrijgesproken.

 Gemeente Amsterdam
Het requisitoir met de aantijgingen verstrekte Plooij in september 2010 aan Harold van Wijnen, toen hoofd afdeling Vergunningen en Ingrid Jansma van het Coördinatieteam Wallen (CTW) in het kader van het toen lopende Emergo-onderzoek.

De gemeenteambtenaren die het OM in juli 2010 om ‘ondersteunende’ informatie hadden gevraagd ten behoeve van de toen lopende Bibob-procedure, werden door hun contactpersoon ‘J. Plooij’ op hun wenken bediend. De gemeente nam de visie van het OM in de strafzaak tegen de heer Paarlberg integraal over. Anderhalve maand later stonden alle in het Paarlberg-requisitoir geuite beschuldigingen aan mijn adres in het voornemen van burgemeester Eberhard van der Laan om de door mij aangevraagde vergunningen te weigeren.

Beeldspraak
Ik heb hierover een klacht ingediend bij de Hoofdofficier van Justitie. Plaatsvervangend hoofdofficier Jet Hoogendijk, tegenwoordig rechter bij de rechtbank Amsterdam, behandelde mijn klacht. Dat de officieren Plooij en Zwinkels mij onder meer hadden aangeduid als ‘adjudant van Holleeder’, viel volgens Hoogendijk onder de noemer ‘beeldspraak’. Hoewel ‘adjudant’ letterlijk was gesteld in het requisitoir, moest ik het niet letterlijk opvatten. Mijn klacht was daarom ongegrond, zo oordeelde de plaatsvervangend hoofdofficier.   

Vrijspraak Kaatee ‘slechts’ momentopname
Jaren later, in 2022, bleek dat niet alleen het OM, maar ook rechters weinig waarde hechten aan mijn vrijspraak door het gerechtshof in 2009. Dat was ‘slechts’ een momentopname geweest, stelde de Amsterdamse rechter Dick van den Brink met zoveel woorden in zijn beschikking waarin hij mijn ‘Verzoek Einde Zaak’ afwees.

In een verzoekschrift ex art. 29f Sv had ik de rechtbank op 24 november 2021 gevraagd een voortijdig einde te maken aan de nieuwe vervolging voor het beweerde ’witwassen van de Wallenpanden’. Een tweede vervolging voor hetzelfde feit of feitencomplex is immers evident in strijd met het ne bis in idem-beginsel, en dus in strijd met nationaal en internationaal recht. De zittingscombinatie onder leiding van mr. Van den Brink dacht daar anders over en stelde op 23 februari 2022 in haar beschikking:  

‘Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen. In hetgeen door de raadsman en verdachte overigens is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Zo maakt de overweging in de vrijspraak van verdachte in Kolbak, dat ‘niet kan worden vastgesteld dat de Wallenpanden uit afpersing of enig ander misdrijf afkomstig zijn’ niet dat de Wallenpanden niet uit misdrijf afkomstig zijn, maar slechts dat dit (destijds) niet wettig en overtuigend bewezen is geacht.

Tegen deze beslissing stond geen hoger beroep open. Dat Van den Brink officier van justitie is geweest voordat hij rechter werd wist ik op dat moment niet. Dat las ik in een interview met deze rechter in Het Parool naar aanleiding van zijn pensionering.

Aanleiding nieuwe vervolging
Precies 11 jaar na mijn vrijspraak in Kolbak vond op 3 juli 2020 op het kantoor van mijn strafrechtadvocaat Han Jahae een gesprek plaats met officier van justitie Lars Stempher, op diens verzoek. Stempher, werkzaam bij het Landelijk Parket, was een van de aanklagers in het Vandros-proces tegen Willem Holleeder in eerste aanleg. Het hoger beroep in die strafzaak stond voor de deur. Daarin fungeerde Stempher opnieuw als aanklager, samen met een oude bekende: Koos Plooij, een van de officieren die in 2010 liet blijken lak te hebben aan mijn vrijspraak in Kolbak. Plooij was een van de aanklagers in het Kolbak-proces waarin ik was vrijgesproken.       

In eerste aanleg van het Vandros-proces had de rechtbank Willem Holleeder schuldig bevonden aan alle tenlastegelegde liquidaties en hem een levenslange gevangenisstraf opgelegd. De verklaringen van zijn zussen Astrid en Sonja, die door de rechtbank betrouwbaar werden geacht, waren van doorslaggevende betekenis geweest.

Of het gerechtshof de inhoud van het vonnis van de rechtbank integraal zou overnemen, was nog maar zeer de vraag. Zo overtuigend waren de verklaringen van de zussen Holleeder niet. Astrid en Sonja Holleeder waren zélf jarenlang hoofdverdachten in een strafrechtelijk onderzoek genaamd Goudsnip naar het witwassen van het nooit teruggevonden deel van het Heinekenlosgeld. Verdenkingen die als sneeuw voor de zon verdwenen toen de zussen gingen samenwerken met het OM om hun broer Willem levenslang achter de tralies te krijgen.   

Drogredenering
In het Vandros-vonnis d.d. 4 juli 2019 [1] had de rechtbank niet alleen een oordeel uitgesproken over de aan Holleeder tenlastegelegde liquidaties, maar ook – ongevraagd en zonder mij hierover te horen – over de eigendom van de twee speelhallen die ik in 2002, samen met de hiervoor genoemde panden, heb gekocht van de familie Endstra. Die speelhallen, mijn bedrijven dus, zouden volgens de rechtbank feitelijk toebehoren aan Willem Holleeder, want dat hadden zijn zussen in eerste aanleg van het proces verklaard.   

Holleeder zélf ontkende eigenaar te zijn van de ‘gokhallen’ op de Wallen, zowel mondeling ten overstaan van rechters, als in een schriftelijke verklaring aan de rechtbank. Hij sprak de waarheid, want die speelhallen zijn mijn eigendom en van niemand anders. In de ontkenning van Holleeder zag de rechtbank echter bewijs van het tegendeel. De rechtbank stelde namelijk in het vonnis: ‘Uit de omstandigheid dat verdachte tot op heden heeft ontkend dat de gokhallen feitelijk van hem waren, concludeert de rechtbank dat verdachte er blijkbaar veel aan gelegen is om dat verborgen te houden.’ [2]  

Chantage
Deze en andere overwegingen over mijn bedrijven in het Vandros-vonnis, dat drie jaar later in zijn geheel zou worden vernietigd door het gerechtshof, waren voor het OM aanleiding om via mijn advocaat contact met mij te zoeken. Het OM wilde iets van mij.  Waarom wil je mij anders, als het hoger beroep van het Vandros-proces aanvangt, zo graag spreken. Wat het OM van mij gedaan wilde krijgen werd duidelijk op die bewuste 3 juli 2020.

Toen de officier van justitie het kantoor van mijn strafrechtadvocaat binnenstapte, werd hij vergezeld door de Vandros-rechercheurs T-137 en R-486. Het duo was vanaf oktober 2017 belast met een deelonderzoek binnen Vandros, buiten de tenlastelegging om, naar mijn speelhallen. Ze verhoorden in 2017 en 2018 onder meer gokhalexploitant Mario Singels, Hans Wiedeler, Edith de Vries en haar fiscalist Gerard van den Nieuwenhuizen die allen, zonder dat de getuigen daar nadrukkelijk op zijn gewezen, verklaringen aflegden in het liquidatieonderzoek Vandros.    

“Er zijn veel mensen bij Holleeder in de tang geraakt, waarvan een aantal het niet meer kan navertellen. Misschien is dit bij u ook het geval geweest meneer Kaatee. In dat geval willen wij het gesprek met u aangaan,” begon de officier op 3 juli 2020.

‘Een verklaring in uw eigen woorden’
Stempher was er heilig van overtuigd dat mijn panden en bedrijven op de Wallen feitelijk van Willem Holleeder zijn. ‘De rechtbank heeft dit in het Vandros-vonnis bevestigd’, zo stelde de officier tevreden. Dat gezegd hebbende polste hij mijn eventuele bereidheid om het beweerde eigendom van Holleeder in het hoger beroep van het Vandros-proces in een verklaring te bevestigen. “Een verklaring in uw eigen woorden, wij gaan die verklaring niet voor u dicteren”, legde de officier uit toen ik hem vroeg hoe hij dit voor zich zag.  

De verklaring die de officier voor ogen had hield kortgezegd in dat ik de panden en bedrijven in 2002 onder dwang en dreiging van de heer Holleeder van de heer Endstra zou hebben gekocht, hetgeen niet het geval is geweest. Als ik aan het scenario van de officier wilde meewerken, stond de deur van het OM voor mij op een kier en wilde het OM met mij in gesprek, kennelijk om de verklaring handen en voeten te geven. Zo niet, dan stond mij een nieuwe jarenlange vervolging te wachten voor witwassen, zo dreigde de officier, want witwassen is een ‘voortdurend delict’. Zolang ik die panden in bezit heb, ben ik ze volgens de officier ‘voortdurend’ aan het witwassen en dat is strafbaar, ook al ben ik daar eerder van vrijgesproken. Stempher gaf twee opties: samenwerken met het OM of niet. Ik mocht er 7 dagen over nadenken. 

‘Dan gaan we de procedure in’
Ik voelde mij door officier van justitie Stempher dusdanig onder druk gezet om een meinedige verklaring af te leggen, dat ik over de chantagepoging een beëdigde verklaring heb afgelegd bij een Amsterdamse notaris. Dit was enkele dagen nadat mijn advocaat officier Stempher op 10 juli 2020 (nogmaals) op het hart had gedrukt dat ik de Wallenpanden in 2002 niet onder dwang van Willem Holleeder heb gekocht, dat Holleeder geen enkele bemoeienis heeft gehad met mijn aankoop, en dat ik daar geen onware verklaring over wenste af te leggen. De officier van justitie reageerde: “Dan gaan we de procedure in!”

Beslag komt voor gemeente als geroepen
De eerste formele stap van het OM in de nieuwe strafrechtelijke procedure genaamd Terrel, was het leggen van beslag op mijn panden op de Wallen, zoals het OM ook al deed in 2006 toen het mij (vanwege dezelfde stromanverdenking) vervolgde voor het witwassen van die panden in Kolbak.

De beslaglegging in Terrel vond plaats op 28 oktober 2020. Eerder lukte niet omdat een Vormerkung, ingesteld door een notaris in opdracht van de koper, beslag op de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30 verhinderde.

Het strafrechtelijke beslag kwam de gemeente heel goed uit. Op het moment van beslaglegging waren alle argumenten uitgeput om geen vergunningen te hoeven verlenen aan de koper van de speelhallen. Het beslag, vanwege een nieuwe vervolging voor het ‘witwassen van de Wallenpanden’, kwam dus als geroepen voor het uitrookbeleid van de gemeente. Het stelde de burgemeester in staat het “rustig afwachten en uitroken” voort te zetten door de vergunningaanvragen van de nieuwe exploitant buiten behandeling te stellen. Doordat het OM beslag had gelegd op de panden met een speelhalbestemming, kon de vergunningenaanvrager niet meer vrijelijk beschikken over locaties waar een speelhal mag worden geëxploiteerd, zo motiveerde burgemeester Halsema haar besluit tot buitenbehandelingstelling van de aanvragen.

Verordening
Het kunnen beschikken over een locatie waarin het van gemeentewege is toegestaan om er kansspelautomaten te exploiteren was een vereiste in de inmiddels oude speelhallenverordening van de gemeente Amsterdam. Aan die vereiste was volgens de burgemeester – vanwege het strafrechtelijke beslag – niet meer voldaan.

Dát was en is naar mijn stellige overtuiging het werkelijke doel achter de nieuwe vervolging: om beslag te kunnen leggen op mijn panden. Zolang de strafzaak duurt, vele jaren dus, kan het onwettige uitrookbeleid ten aanzien van de speelhallen en de panden met een speelhalbestemming worden voortgezet.     

Derde vrijspraak
Op 11 november 2024 sprak de rechtbank Amsterdam mij (opnieuw) vrij van ‘het witwassen van de Wallenpanden’. In het vonnis sommeerde de rechtbank het OM om de beslagen panden aan mij terug te geven. Daar gaf het OM geen gevolg aan. Het OM geeft niks terug. Op 19 november 2024 ging het in hoger beroep tegen mijn derde vrijspraak. Het OM kon niet anders. Het is tot over de oren betrokken bij de buitenbehandelingstelling, zo blijkt uit Wob-stukken. Betrokken bij een onrechtmatig besluit dat op 19 december 2022 door de rechtbank is vernietigd.  

Beslag blijft gehandhaafd
In 2023 tekende burgemeester Halsema bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep aan tegen de vernietiging van haar besluit tot buitenbehandelingstelling. Omdat het buiten behandeling stellen van de vergunningaanvragen van de koper uitsluitend en volledig is gestoeld op het strafrechtelijk beslag op de panden Molensteeg 1 en Oudezijds Achterburgwal 30, moet de strafzaak tegen mij en tegen mijn vennootschap wel worden voortgezet, om het beslag te kunnen handhaven. Als het OM niet in beroep was gegaan tegen mijn derde vrijspraak, had de burgemeester haar hoger beroep moeten intrekken. Dat zou een einde maken aan het “rustig afwachten en uitroken” van mijn panden en bedrijven. Kennelijk was dat geen optie voor de gemeente Amsterdam en het OM.

Wordt vervolgd in:
Brief aan korpschef Janny Knol (5) (op 30 augustus online)


[1] ECLI:NL:RBAMS:2019:4555

[2] Het Vandros-vonnis dat volgens het OM de aanleiding vormde voor het starten van de strafzaak Terrel, is door het gerechtshof op 24 juni 2022 in het hoger beroep van het strafproces tegen Willem Holleeder, in zijn geheel vernietigd. Het daarvoor in de plaats gekomen arrest, waarin Holleeder opnieuw tot een levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld, bevat geen enkele overweging over mijn gokhallen op de Wallen.(ECLI:NL:GHAMS:2022:1842)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.