Brief aan korpschef Janny Knol (5): de rol van de politie

Geen rechter of raadsheer heeft mij ooit schuldig bevonden aan het meermaals ten laste gelegde ‘witwassen van de Wallenpanden’. Toch ben ik vanwege de alsmaar voortdurende verdenking aan alle kanten klemgezet door de gemeente Amsterdam, door het Openbaar Ministerie en door de Kansspelautoriteit. Dat had niet gekund zonder ‘hulp’ van de Nationale politie. Ook de tweede vervolging voor ‘het witwassen van de Wallenpanden’ steunt op door politiefunctionarissen gefabriceerde processen-verbaal. Door niet alleen de hoogste politiebaas in een brief te informeren over het vooringenomen politieonderzoek in mijn strafzaak maar de inhoud van de brief breder te delen, draagt dit hopelijk iets bij aan zelfreflectie en meer transparantie en verantwoording bij politiediensten.

Dit is het vijfde en tevens laatste deel van mijn brief aan Janny Knol.  

‘Dan gaan we de procedure in’
Op 10 juli 2020 deelde mijn advocaat Han Jahae telefonisch aan officier van justitie Lars Stempher mee dat het OM niet hoefde te rekenen op een meinedige verklaring van mij in het hoger beroep van het Vandros-proces. Een onware verklaring dat mijn speelhallen en mijn panden op de Wallen feitelijk van Willem Holleeder zijn – waar de officier op had aangestuurd tijdens het chantagegesprek zeven dagen eerder op het kantoor van Jahae – kan ie op z’n buik schrijven had ik tegen mijn advocaat gezegd. “Dan gaan we de procedure in,” was de reactie van Stempher. Met die woorden luidde de officier van justitie van het Landelijk Parket de tweede vervolging in voor het beweerde ‘witwassen van de Wallenpanden’.  

Juridische trucs
Door de tenlastelegging iets te wijzigen ten opzichte van de vervolging in onderzoek Kolbak, meende het OM het verbod om iemand voor de tweede keer te vervolgen voor hetzelfde strafbare feit (ne bis in idem), wel even te kunnen omzeilen. Het OM wijzigde de tenlastegelegde periode en paste nog een paar juridische trucs toe om het een nieuwe strafzaak te laten lijken.     

Het bedenken van deze juridische trucs, het besluit om mij opnieuw te vervolgen voor het ‘witwassen van de Wallenpanden’ na een mislukte chantagepoging, en het strafvorderlijk optreden in onderzoek Terrel, beschouw ik als een onrechtmatige overheidsdaad.

De rol van de politie
Ook de politie heeft hieraan bijgedragen. Ik noem enkele voorbeelden:

  • Het niet in het proces-verbaal van het verhoor van Gerard Holleeder vermelden dat de getuige heeft verklaard – zo blijkt uit geluidsopnamen van het verhoor die zijn bij het verhoor aanwezige zus Astrid Holleeder stiekem heeft gemaakt – dat zijn broer Willem nooit eigenaar is geweest van de speelhallen waar Gerard ruim 20 jaar heeft gewerkt. De betrokken politieambtenaren die dit hebben weggelaten zijn de verbalisanten met codenamen T051 en T055;
  • Het eveneens onvermeld laten van de aanwezigheid van Astrid Holleeder bij dat verhoor van haar broer Gerard in 2015. Toen zij in 2024 door senior rechercheur Gerrit Piso – bekend van zijn vergeefse speurtocht in 2006 naar verborgen lijken in mijn woning – werden geconfronteerd met de geluidsopnamen die Astrid van het verhoor had gemaakt, beweerden de inmiddels uit dienst getreden verbalisanten T051 en T055 Astrid Holleeder nooit te hebben gezien of te hebben gesproken. Alles in het belang van ‘de zaak’;
  • Het opstellen van een proces-verbaal vol feitelijke onjuistheden en vage verdachtmakingen om in oktober 2017 van de rechtbank toestemming te krijgen om in het Vandros-onderzoek mijn mobiele telefoon te tappen. Dit betreft verbalisant R336;
  • Het verrichten van een gebrekkig en niet op waarheidsvinding gericht politieonderzoek naar mijn speelhallen en panden in Vandros en het daarna voortzetten ervan in Terrel. Ditmaal gaat het om verbalisanten die opereren onder de codenamen T-137 en R-486;
  • Het herhaaldelijk door T-137 en R-486 in processen-verbaal uiten van verdenkingen van strafbare feiten waarvan rechters en raadsheren mij onherroepelijk hebben vrijgesproken. Dit is in strijd met artikel 6 lid 2 van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens (EVRM): “the voicing of suspicions regarding an accused’s innocence is conceivable as long as the conclusion of criminal proceedings has not resulted in a decision on the merits of the accusation. However, it is no longer admissible to rely on such suspicions once an acquittal has become final.[1]

In de latere uitspraak Rushiti vs Austria bevestigde het EHRM de in Sekanina vs France geformuleerde uitspraak en bestempelde dit tot algemene regel: “The Court cannot but affirm the general rule stated in the Sekanina judgement that, following a final acquittal, even the voicing of suspicions regarding an accused’s innocence is no longer admissible.[2]

Dit is de vaste internationale rechtsregel waar overheden die zijn aangesloten bij het Europese Hof zich aan moet houden in het geval van een onherroepelijke vrijspraak.[3]

  • De sturende wijze van verhoren van de door het OM opgeroepen getuige Rob Boon, alsmede het buiten de processen-verbaal van verhoor houden dat de heer Boon toen hij werd verhoord, in ‘een getuigentraject’ zat. Dat heeft Boon later bij de rechter-commissaris verklaard. Betrokken verbalisanten: uiteraard T-137 en R-486;
  • Het openlijk niet onder stoelen of banken steken van irritaties als een getuige of een verdachte (ikzelf) niet verklaart wat de verbalisanten willen horen. Opnieuw gaat het om de verbalisanten T-137 en R-486 die dit onprofessionele gedrag hebben vertoond;
  • Het niet vooraf of tijdens het verhoor informeren van getuigen in welk onderzoek of welke strafzaak zij een verklaring afleggen. Het is de kenmerkende handelswijze van de verbalisanten T-137 en R-486, ofwel ‘het Vandros-team’;
  • Het herhaaldelijk verkondigen van evidente onwaarheden in het proces-verbaal van verdenkingen Terrel, bijvoorbeeld dat ik van de in 2002 van Endstra verkregen hypotheken en de onderhandse lening niets zou hebben afgelost, terwijl bewijs van het tegendeel door de politie is aangetroffen bij huiszoekingen in het Kolbak- en Enclaveonderzoek, en toen tevens zijn verkregen van de Rabobank. U raadt het al: alweer de verbalisanten met de codenamen T-137 en R-486.

Het zaaksteam
Tijdens mijn derde verhoor als verdachte op het hoofdbureau op 10 maart 2021 ontstond met ‘het zaaksteam’ T-137 en R-486 een discussie over de bankafschriften met de aflossingen en rentebetalingen aan Endstra. Ik citeer uit hun proces-verbaal van verhoor:

Verbalisant: “En als we het nu zo aan u vragen, wat heeft u dan aan Endstra afgelost vanaf september 2002 en wat heeft u dan aan Paarlberg afgelost, als u dat zo kunt vertellen?”

Kaatee: “Wat conform de notariële akten moet worden afgelost heb ik afgelost. Er staat in een hypotheekakte en in een leningsakte een aflossingsverplichting en renteverplichtingen en wanneer die betaald moeten worden, en daar heb ik me aan gehouden.”

Verbalisant: “Die hebben we gelezen, maar heeft u ook bankafschriften met die betalingen dat…, hoe ze daadwerkelijk hebben plaatsgevonden? En zou u dan die ook…”

Kaatee: “Die bankafschriften zijn al twee keer in beslag genomen door collega’s van jullie en die zijn ook, die betalingen zijn ook bij de Rabobank opgevraagd. Die hebben jullie drie keer gehad.”

Verbalisant: “Fijn, als u ze, als u ze wilt…”

Kaatee: “Voor de vierde keer? Zeker.”

Verbalisant: “Ja.”

Advocaat mr. Han Jahae: “Maar mag ik toch iets vragen? Het verbaast me eigenlijk. Ik denk, ik leg het toch op tafel. Ik zat er vorige keer al mee, nu ook. Jullie hebben die stukken allemaal. Waarom zit dat nou niet in het verbaal? Waarom?”

Kaatee: “Ja.”

Advocaat: “Vragen jullie iedere keer. Het is nou niet één of twee keer.”

Kaatee: “Naar de bekende weg.”

Advocaat: “Maar de hele verdenking. Dit is allemaal een herhaling van zetten. Dit is allemaal al verklaard. De stukken zijn er allemaal. Jullie selecteren echt alleen maar de stukken die in het straatje te pas komen, andere niet. Ik vind dat een bijzondere gang van zaken. Zit daar nou een tactiek achter, of…?”   

Verbalisant: “Hoe…”

Advocaat: “Hebben jullie gewoon slordig gedaan. Of hoe kan dat nou?”

Verbalisant: “We hebben het niet slordig gedaan. We hebben opgemerkt…”

Advocaat: “Er zit ontzettend veel werk in, dat zie ik wel.”

Verbalisant: “Ja.”

Advocaat: “Maar je doet een heleboel wat je weet, waar je over beschikt, neem je niet mee.”

Verbalisant: “Goed.”

Advocaat: “En je creëert dan een beeld wat natuurlijk niet juist is. Dus, waarom doe je dat?”

Verbalisant: “Daarom zitten we hier. Om het aan u voor te houden. U mag daarop reageren. Wij wachten….”

Advocaat: “Maar dit is de derde keer nu, hè!?”

Verbalisant: “Wij wachten op uw reactie, dat hebben we vorige keer ook gezegd, en u kunt dat in uw schriftelijke stuk meenemen en dan kunnen we daarnaar kijken.”

Advocaat: “Maar mijn vraag is, en die wordt hier niet mee beantwoord. Waarom hebben jullie deze stukken niet meegenomen in jullie proces-verbaal? Je hebt ze al.”

Kaatee: “Kennen jullie die stukken niet? Dat kan ook.”

Advocaat: “Kennen jullie ze niet, of neem je ze bewust niet mee?”

Verbalisant: “Wij, wij hebben de bankafschriften waarop de betalingen staan niet gevonden.”

Advocaat: “Niet gezien.”

Verbalisant: “Niet gezien, niet gevonden.”

Advocaat: “Oké. Nee, goed, dat is dan een verklaring waarom ze er niet in zitten.”

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van vooringenomen en gebrekkig politieonderzoek.

Schadevordering
De onrechtmatige overheidsdaad beperkt zich niet alleen tot het starten van een onrechtmatige strafrechtelijke vervolging jegens mij en mijn vennootschap(pen), maar strekt zich tevens uit tot:  

  • het jarenlang op onwettige gronden en met behulp van een netwerk van (politie)ambtenaren en bestuurders negatief beïnvloeden van de vergunningverlening aan de koper van mijn speelhallen en de panden, zoals onder meer blijkt uit in 2021 en 2022 aan mij verstrekte Wob-documenten, en het daarmee structureel tegenwerken van de verkoop en levering van mijn bedrijven en panden;
  • de jarenlange gevangenhouding in een ongewilde schuldpositie ten opzichte van de Staat door mij niet in staat te stellen om de verkoop van mijn gesloten speelhallen en de hiervoor genoemde panden aan een bonafide partij aan wie ik de bedrijven en panden in 2018 heb verkocht, af te wikkelen en met de verkoopopbrengst mijn schuld aan de Staat af te lossen.

Hierdoor is onrechtmatig gehandeld jegens mij, RL Properties B.V. en mijn andere vennootschappen. De onrechtmatigheid kan bovendien aan de Staat worden toegerekend. 

Mede namens mijn vennootschap RL Properties B.V. die in het onderzoek Terrel eveneens voor de tweede keer wordt vervolgd, alsmede namens mijn andere vennootschappen die in het onderzoek als verdachten zijn aangemerkt, behoud ik mij het recht voor om een schadevergoeding te vorderen van de Nederlandse Staat.

Stuiting
Met deze brief stuit ik uitdrukkelijk de verjaring van al mijn vorderingen en die van voornoemde vennootschappen tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek die voortkomen uit voornoemd onrechtmatig handelen van de Staat. Dit betreft zowel reeds geleden als toekomstige schade – waaronder, zonder te beogen uitputtend te zijn, begrepen vermogensschade in de vorm van geleden verliezen, gederfde winst, reputatieschade, kosten van juridische bijstand en immateriële schade – voortvloeiend uit genoemde onrechtmatige (overheids)daad.

De onrechtmatigheid van de vervolging vloeit voort uit de vrijspraak door de rechtbank d.d. 11 november 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:6848) en uit alle hiervoor samengevatte feiten en omstandigheden. 

Deze brief en mijn brieven aan de minister van Veiligheid en Justitie en aan het college van procureurs-generaal strekken ertoe om de verjaring van dat recht op schadevergoeding te voorkomen. Evenals de eerder gezonden brieven aan de minister en aan het college geldt deze brief als een stuitingshandeling zoals bedoeld in bovengenoemd wetsartikel. De Staat dient er daarom rekening mee te houden dat hij de beschikking houdt over gegevens en bewijsmateriaal, opdat de Staat zich tegen een in te stellen vordering kan verweren.


[1] EHRM, Sekanina v. France, Application No. 13126/87, 25 augustus 1993, par. 30.

[2] EHRM, Rushiti v. Austria, Application No. 28389/95, 21 maart 2000, par. 31.

[3] Zie bijvoorbeeld, EHRM, Lamanna v. Austria, Application No. 28923/95, 10 juli 2001; EHRM, Weixelbraun v. Austria, Application No. 33730/96, 20 december 2001; en EHRM, Del Latte v. the Netherlands, Application No. 44760/98, 9 november 2004.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.