Staatsraad mr. Nico Verheij liet woensdag 2 september al vroeg weten hoe hij de zitting wilde leiden. “Dat weten we toch al. Ik heb gezegd dat we alles hebben gelezen. Vertel nou eens iets nieuws,” hield hij de vertegenwoordigers van de burgemeester en daarna de Kansspelautoriteit herhaaldelijk voor. Het telkens herhalen van wat eerder op honderden pagina’s processtukken naar voren is gebracht, was ongewenst. De Afdeling had ze allemaal gelezen, zo verzekerde Verheij de procespartijen. Alleen wat nog iets toevoegde, wilde hij op zitting horen.

Invalvoorzitter
Verheij zat die ochtend onverwacht op de voorzittersstoel. Vooraf had de Afdeling bekend gemaakt dat mr. Ben Vermeulen de zaken zou voorzitten en behandelen, samen met de staatsraden mr. Margot Stoové en mr. Joop Drop. Vermeulen bleek verhinderd en was vervangen door Verheij. Partijen waren daar niet over geïnformeerd.
Nog voordat we de zittingszaal binnengingen, hadden drie vertegenwoordigers van de gemeente Amsterdam contact gezocht met de vertegenwoordigers van de Kansspelautoriteit. Ze trokken daarna met elkaar op. Ze vormden zichtbaar één groep. Het oogde in elk geval niet als een toevallige begroeting van mensen die elkaar beroepshalve kennen. In de pauze zochten zij elkaar opnieuw op.
Tijdens de zitting op 2 september werden vier hogerberoepszaken achtereenvolgens behandeld. Ze verschillen juridisch behoorlijk van elkaar, maar draaien uiteindelijk allemaal rond de verkoop van mijn speelhallen op de Amsterdamse Wallen en een vergunningendossier dat inmiddels ruim twaalf jaar oud is.
Burgemeester Halsema probeert een verloren zaak alsnog te winnen
De ochtend begon met het hoger beroep van burgemeester Halsema tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2022.
Koper Einar F. La Lau vroeg in maart 2014 namens zijn nieuw opgerichte vennootschappen vergunningen aan om de speelhallen aan de Molensteeg en de Oudezijds Achterburgwal te exploiteren. Pas in april 2021 – zeven jaar na indiening en nadat het OM eind oktober 2020 beslag op mijn panden had gelegd – stelde de burgemeester de aanvragen buiten behandeling.
Hierover was intensief overlegd met het Openbaar Ministerie. Het nieuws dat de burgemeester haar handtekening onder het besluit had gezet, werd door het OM intern gedeeld met tweeëntwintig collega’s bij politie en justitie.

De rechtbank Amsterdam zette eind 2022 een streep door dat besluit. Er bestond immers nog een huurovereenkomst op grond waarvan La Lau bij vergunningverlening over de bedrijfsruimten kon beschikken.
Namens de burgemeester werd bij de Raad van State opnieuw betoogd dat die huurovereenkomst inmiddels achterhaald was doordat later koopcontracten waren gesloten.
Mr. Verheij wees de vertegenwoordigers van de burgemeester erop dat de rechtbank bij de behandeling van de zaak in december 2022 aan zowel huurder als verhuurder had gevraagd of de oude huurovereenkomst nog steeds geldig was. Beiden hadden ja gezegd. Dat was ná de oudere brieven waarop de gemeente zich opnieuw beriep. “De buitenbehandelingstelling is vernietigd. Dát is nu de situatie”, zei Verheij.
Staatsraad mr. Margot Stoové moest de vertegenwoordiger van de burgemeester enkele keren terugbrengen naar de vraag waar de zaak om draaide: waarom zou de uitspraak van de rechtbank fout zijn? Het bracht gemeentelijk woordvoerder A. Buijs enigszins van haar stuk: “U merkt het misschien aan mij, maar ik ben een beetje in verwarring.”
Mr. Stoové hield de gemeente voor dat een beslag op vastgoed een levering niet zonder meer onmogelijk maakt. De gemeente beriep zich toen op een brief van het OM van 6 april 2021. De officieren van justitie schreven daarin dat zij niet zouden meewerken aan opheffing van het beslag, maar dat eventuele communicatie hierover rechtstreeks met La Lau zou plaatsvinden.
La Lau vertelde de Afdeling daarna dat hij verschillende brieven naar het OM had gestuurd om in overleg te komen over het beslag en de transactie. Het OM reageerde volgens hem geen enkele keer.
Een wetsartikel dat de toezichthouder jarenlang negeerde
De tweede zaak ging onder andere over een wettelijke termijn in de Wet op de kansspelen die bijna niemand in het dossier aanvankelijk leek te hebben opgemerkt of te kennen, ook de KSA zelf niet.
La Lau had in 2014 van de Kansspelautoriteit landelijke exploitatievergunningen gekregen. Volgens artikel 30l, eerste lid, onder c, van de Wok moet een vergunninghouder binnen één jaar beginnen met exploiteren. Dat gebeurde niet, want voor de speelhallen op de Wallen waren daarnaast gemeentelijke vergunningen nodig, en die kwamen maar niet.
Jaren later gebruikte de KSA die éénjaarstermijn als grond om de vergunningen in te trekken. De KSA noemde de termijn ter zitting “dwingend recht”.
Voorzitter mr. Verheij wees er fijntjes op dat de KSA zelf wel héél laat had ontdekt dat niet binnen een jaar met exploiteren was begonnen. Zo “dwingend” was de wettelijke verplichting blijkbaar niet geweest voor de toezichthouder zelf. Bovendien stond de termijn niet als voorwaarde in de verleende vergunningen.
La Lau maakte de vergelijking met een rijbewijs: ook een automobilist wordt geacht de wet te kennen, zonder de hele verkeerswet uit zijn hoofd te kennen. “Ik begrijp uw punt. Ik ken de milieuwet ook niet volledig”, reageerde mr. Verheij gevat.
Toen ik erop wees dat de éénjaarstermijn in de Wok dateert uit de tijd vóór de invoering van de Wet Bibob en dat Bibob-procedures jaren kunnen duren, wees de voorzitter op de huidige juridische werkelijkheid: “Maar het is de wet, en daar moeten we van uitgaan.”
De olifant in de zittingszaal
Na de pauze kwamen mijn eigen hogerberoepszaken tegen de KSA aan bod. La Lau en zijn adviseur waren inmiddels vertrokken. De gemeenteambtenaren daarentegen bleven als zeer geïnteresseerde toeschouwers aanwezig.
De derde zaak was voor mij belangrijk. De KSA houdt namelijk vol dat ik in een zakelijk samenwerkingsverband sta met Willem Holleeder. Niet alleen vroeger, maar nog steeds. Het leek een herhaling van mijn strafzaak, alsof ik het OM hoorde praten, de spreekwoordelijke olifant in de zittingszaal.
De KSA haalde de liquidatie van Willem Endstra erbij, wees erop dat vanuit gevangenissen strafbare feiten worden gepleegd, ook vanuit de EBI, en verwees naar de angst die Astrid en Sonja Holleeder volgens haar nog steeds voor hun broer hebben. “En zij weten als geen ander waar Holleeder en zijn handlangers toe in staat zijn”, betoogde mr. drs. IJzerman namens de KSA.
Mijn bestuursrechtadvocaat mr. Douwe op de Hoek, die mij in deze zaken bijstaat, merkte later op dat het er haast op begon te lijken alsof er een liquidatiezaak werd behandeld. Staatsraad mr. Drop merkte daarna droog op dat Holleeder inmiddels niet meer in de EBI zit.
Volgens de KSA had Holleeder Endstra afgeperst, “nota bene in het kader van de financiering van deze gokhallen”. In zijn pleitnota kwalificeerde de KSA Holleeder ten onrechte als mijn “de facto financier”.
Dat de gelden waarmee Paarlberg in 2003 de bestaande financiering van mijn bedrijven verving volgens rechterlijke uitspraken afkomstig waren uit de afpersing van Endstra, maakt Holleeder nog niet automatisch tot mijn financier. Het gerechtshof stelde in 2018 bovendien in de ontnemingszaak tegen Paarlberg vast dat Paarlberg zelfstandig met de van Endstra ontvangen gelden aan de slag ging, zonder gebleken opdracht of ruggespraak met Holleeder.
Dit raakt rechtstreeks aan de jarenlange strafrechtelijke beschuldigingen. In Kolbak ben ik onherroepelijk vrijgesproken van het witwassen van de Wallenpanden. In de nieuwe strafzaak Terrel volgde in november 2024 opnieuw vrijspraak. Op 1 mei van dit jaar verklaarde het gerechtshof het OM uiteindelijk niet-ontvankelijk omdat ik voor hetzelfde feitencomplex niet opnieuw vervolgd mocht worden. Toch blijft hetzelfde verhaal alsmaar terugkomen in bestuursrechtelijke procedures.
Waarom La Lau?
Staatsraad mr. Drop vroeg mij waarom ik mijn bedrijven en panden uiteindelijk aan La Lau had verkocht. Waren er andere gegadigden geweest? Of had ik niet gewoon een andere financier kunnen zoeken?
Die informatie staat uitvoerig in het dossier beschreven, maar ik mocht het opnieuw uitleggen. Rond 2010 probeerde ik de Paarlberg-leningen via de ING te herfinancieren. De bank wilde daarvoor zekerheid dat de vergunningen na herfinanciering zouden worden verleend. Die zekerheid gaf de gemeente niet. Na overleg met het OM legde de burgemeester de b-grond ten grondslag aan de weigering, waardoor ook herfinanciering niet tot vergunningverlening zou leiden.
Op de dag dat burgemeester Van der Laan zijn handtekening zette onder het weigeringsbesluit, stond in dikke letters op de voorpagina van Het Parool: ‘Eigenaar Marcel Kaatee gezien als stroman van Willem Holleeder’. En in het artikel zelf: ‘De overheid ziet Kaatee als een stroman van topcrimineel Willem Holleeder en ontneemt hem zijn vergunningen met de Wet bibob.’

Een bancaire herfinanciering was daarna voor mij een illusie.
Drop wilde ook weten waarom ik de inmiddels verlopen KSA-vergunningen van RLC 1 en RLC 2 wilde behouden. Mijn antwoord was: omdat ik meende dat een compleet pakket van panden, ondernemingen en geldige vergunningen gemakkelijker te verkopen was. De vraagprijs was € 2,8 miljoen, kosten koper. Precies de nog resterende hoofdsom van de Paarlberg-leningen. Mijn doel was om die oude financiële verhouding te beëindigen.
Fictieve indirecte financiering zonder geldstroom
De vierde en laatste zaak ging over RLU B.V., een bedrijf waarmee ik speelautomaten in horecazaken exploiteerde. Toen Paarlberg in 2003 een lening verstrekte aan RL Properties, was RLU nog een dochtermaatschappij. Sinds 2008 maakt RLU geen deel meer uit van die fiscale eenheid en is de vennootschap volledig zelfstandig. Er bestaat geen financiële relatie met RL Properties.
Toch vindt de KSA dat Paarlberg indirect vermogen aan RLU heeft verschaft. Een aantoonbare geldstroom naar RLU zou daarvoor niet nodig zijn. De rechtbank Midden-Nederland was het daarmee eens.
De KSA wees erop dat destijds pandrecht op de aandelen RLU was gevestigd. Maar een pandrecht is geen lening en geen vermogensverschaffing. Het is een zekerheidsrecht. Daarmee ligt er een principiële vraag voor de Raad van State: kan een lening die in 2003 aan een moedermaatschappij werd verstrekt, zonder aantoonbare doorstroming van geld naar een dochter, meer dan twintig jaar later nog steeds betekenen dat die voormalige dochter geacht wordt indirect door dezelfde financier te zijn gefinancierd?
Communicerende vaten
Wie deze vier procedures afzonderlijk bekijkt, mist misschien wel het opmerkelijkste aan het hele dossier. De zaken functioneren als communicerende vaten. Een beslissing of handelwijze van de ene overheidsinstantie veroorzaakt een situatie die een andere instantie vervolgens gebruikt als grond voor een volgend voor mij of La Lau nadelig besluit.
De gemeente verleende La Lau jarenlang geen vergunning om de speelhallen te exploiteren. Daardoor kon hij in Amsterdam niet beginnen. Jaren later trok de KSA haar landelijke vergunningen in omdat hij niet binnen één jaar met de exploitatie was begonnen. Het probleem dat mede was ontstaan doordat de gemeentelijke vergunningen uitbleven, werd zo bij een ander bestuursorgaan een zelfstandige reden voor intrekking.
Hetzelfde mechanisme zie je terug bij de Paarlberg-leningen. Sinds 2006 ligt beslag op de vordering van Paarlberg op mij en mocht ik niet meer aan Paarlberg betalen. Ik wilde van die schuldverhouding af. De verkoop aan La Lau bood daarvoor een oplossing: de koopsom van € 2,8 miljoen zou via de notaris aan de Staat worden betaald. De transactie zou daarmee de oude financiële relatie beëindigen. Dat was geen losse intentie; er lagen ondertekende koopovereenkomsten en een kwijtingsregeling.
Maar de verkoop kon niet worden uitgevoerd zolang vergunningverlening en medewerking aan de levering uitbleven. Daardoor kon de € 2,8 miljoen niet worden betaald. Vervolgens gebruikt de KSA uitgerekend het feit dát de Paarlberg-schuld nog bestaat als argument dat het Bibob-gevaar nog steeds actueel is.
Zo ontstaat een vrijwel gesloten circuit: geen gemeentelijke vergunning betekent geen exploitatie; geen exploitatie wordt jaren later grond voor intrekking door de KSA. Beslag en het uitblijven van medewerking van het OM betekenen geen verkoop; geen verkoop betekent geen aflossing; geen aflossing betekent dat de oude lening blijft bestaan; en juist die nog bestaande lening wordt vervolgens opnieuw gebruikt om vergunningverlening tegen te houden.
De paradox van de openstaande schuld
Iedere gesloten deur levert bij een ander overheidsorgaan het argument op waarom ook de volgende deur gesloten moet blijven. Dat is een merkwaardige paradox.
De overheid verwijt mij dat de oude Paarlberg-financiering nog bestaat, terwijl ik sinds het beslag niet meer aan Paarlberg mocht betalen en de transactie waarmee de resterende € 2,8 miljoen rechtstreeks bij de Staat terecht zou komen evenmin tot uitvoering kon worden gebracht. Zo blijft precies de financiële verhouding bestaan die mij vervolgens bestuursrechtelijk wordt tegengeworpen.
De Staat heeft de oorspronkelijke leningen niet aan mij verstrekt en is juridisch dus niet mijn financier maar is sinds de ontneming op 12 februari 2019 onherroepelijk is geworden, wél de enige schuldeiser. Als steeds door de overheid en door bestuursrechters wordt betoogd dat in de nog niet afgeloste Paarlberg-leningen nog altijd crimineel verkregen voordeel besloten ligt, waarom wordt dan niet meegewerkt aan de transactie waarmee € 2,8 miljoen definitief uit dat vermogen verdwijnt en bij de Staat terechtkomt?
In de loop der jaren kwamen daarvoor telkens andere juridische instrumenten in beeld: de Wet Bibob, strafvorderlijk beslag, artikel 4:5 Awb voor de buitenbehandelingstelling en uiteindelijk de éénjaarstermijn uit de Wet op de kansspelen. Elk instrument heeft op papier een eigen doel en een eigen bevoegd bestuursorgaan. De gevolgen ervan grijpen echter zodanig in elkaar dat een door de overheid ongewenste situatie in stand wordt gehouden: de oude verdenking rond de financiering van de Wallenpanden blijft op die manier als actuele werkelijkheid voortbestaan.
Het draait in deze zaken niet alleen om de vraag wie juridisch in iedere afzonderlijke procedure gelijk heeft. De elementaire vraag is: dienen de betrokken overheidsorganen hun bevoegdheden nog ieder voor het doel waarvoor die zijn gegeven, of zijn die bevoegdheden in de praktijk samen onderdeel geworden van één zichzelf bevestigend systeem?
Samen in de wachtruimte
Nog vóór de eerste zaak begon hadden de drie vertegenwoordigers van de gemeente Amsterdam en de vertegenwoordigers van de Kansspelautoriteit elkaar al opgezocht.
Nadat de zaak van de burgemeester was afgelopen, bleven de gemeenteambtenaren als publiek zitten tijdens de KSA-zaken.
In de pauze zochten de ambtenaren van de gemeente en die van de KSA elkaar opnieuw op. Ik weet natuurlijk niet wat zij met elkaar bespraken, maar het viel mij op tegen de achtergrond van de Wob- en Woo-stukken waarover ik een serie blogs heb geschreven met als titel ‘Het corrupte netwerk van het Openbaar Ministerie’. Daarin heb ik openbaar gemaakte documenten getoond die laten zien dat gemeente, OM, KSA en andere instanties in dit dossier door de jaren heen intensief contact met elkaar hebben onderhouden.
Een van de aanwezige vertegenwoordigers van de burgemeester was Eline Koomen, die in 2013 in een interne mail over mijn bedrijven en panden schreef: “rustig afwachten en uitroken.” Die vermoedelijke beleidsinstructie is onderdeel van een klacht die ik op 31 augustus jl. bij de burgemeester en het Amsterdamse college heb ingediend.
Vier uitspraken tegelijk
Mr. Verheij stond mij niet toe mijn op schrift gestelde persoonlijke woord tot de Afdeling te richten; ik kon slechts enkele punten daaruit naar voren brengen. Eerder had de voorzitter ook La Lau afgekapt toen die zijn persoonlijke omstandigheden wilde toelichten.
De Afdeling zal de uitspraken in alle vier zaken tegelijk bekendmaken. Mr. Verheij verwachtte daarvoor waarschijnlijk meer dan zes weken nodig te hebben. De vier afzonderlijke uitspraken zullen straks moeten uitwijzen of de Afdeling oog heeft voor de manier waarop zij elkaar al jarenlang in stand houden.
Na een zittingsdag over vergunningen uit 2014, een lening uit 2003, verdenkingen die nog verder teruggaan en een vermeend zakelijk samenwerkingsverband dat volgens de KSA nooit lijkt te eindigen, blijft vooral één vraag hangen: hoelang blijven zaken uit een ver verleden in het bestuursrecht voortbestaan als actuele werkelijkheid?