Met een grootschalige politieactie, op dinsdag 14 juli jl. uitgevoerd in samenwerking met de Roemeense autoriteiten en Europol, lieten de autoriteiten zien dat de politie nog steeds in staat is om zware georganiseerde criminaliteit aan te pakken. De arrestatie van een Roemeense pooierbende, die volgens politie en justitie tientallen sekswerkers op de Amsterdamse Wallen lange tijd zou hebben uitgebuit, kreeg veel aandacht in de media.

Waar was de overheid al die tijd?
Na de uitgebreide berichtgeving op televisie en op tal van nieuwssites van onder meer NOS, RTL, De Telegraaf, het AD en Het Parool, bleef één vraag onbeantwoord: hoe heeft deze organisatie zo lang ongehinderd kunnen opereren in het meest gecontroleerde stukje Amsterdam?
Volgens de politie beschouwden de verdachten een deel van de Wallen als hun eigen territorium. Sekswerkers moesten wekelijks forse bedragen afdragen om er überhaupt te mogen werken. Ze werden geïntimideerd, bedreigd en in sommige gevallen mishandeld. De verdachten hielden toezicht op de vrouwen, gaven aanwijzingen tijdens hun werkzaamheden en liepen volgens Het Parool zelfs openlijk het afgepakte geld te tellen. Dat roept de ongemakkelijke vraag op: waar waren de gemeente, de politie, de toezichthouders en alle instanties die zich met de veiligheid op de Wallen bezighouden al die tijd?
Geen gebrek aan beleid, maar aan aanwezigheid
Aan de hoeveelheid beleidsnota’s van de gemeente Amsterdam heeft het niet gelegen. De afgelopen decennia zijn tientallen zo niet honderden miljoenen euro’s uitgegeven aan projecten, reorganisaties en de herinrichting van de Wallen. Raambordelen werden massaal gesloten in het kader van Project 1012, panden werden opgekocht door de gemeente of aan de gemeente gelieerde partijen en het gebied waar raamprostitutie was toegestaan werd beperkt tot de Oudezijds Achterburgwal, enkele zijstegen en het Oudekerksplein. De gedachte achter die concentratie zal zijn geweest dat het prostitutiegebied zo overzichtelijker en daardoor gemakkelijker controleerbaar zou worden.
Terwijl de bestuurlijke aandacht zich jarenlang richtte op vastgoed, vergunningen, Bibob-procedures en de herinrichting, blijkt nu dat een gewelddadige mensenhandelorganisatie er vrijwel ongestoord kon opereren. Dat wringt. De bestrijding van mensenhandel werd namelijk jarenlang door de gemeente gepresenteerd als de belangrijkste rechtvaardiging voor de ingrijpende bestuurlijke aanpak.
Dat dit desondanks heeft kunnen plaatsvinden is dan ook een pijnlijke constatering. In de berichtgeving over de arrestaties op de Wallen is echter nauwelijks bestuurlijke zelfreflectie te ontdekken. Alle aandacht gaat uit naar de succesvolle politieactie, wat ook begrijpelijk is. Maar waarom kozen de Roemeense pooiers uitgerekend de Wallen als hun werkterrein? En waarom waanden zij zich daar zo onaantastbaar?
Een oude discussie
Deze discussie is niet nieuw. In 2014 heb ik de strijd tegen vrouwenhandel in Amsterdam al eens geanalyseerd in een blog. Ik schreef toen dat de bestrijding van vrouwenhandel niet gediend is met symbolische maatregelen of politieke beeldvorming, maar met voldoende recherchecapaciteit, zichtbare aanwezigheid op straat en langdurig opsporingswerk. Dat standpunt is twaalf jaar later actueler dan ooit.
Mensenhandel bestrijd je niet achter een bureau. Je bestrijdt het door voortdurend zichtbaar aanwezig te zijn in een buurt waar al eeuwen het oudste beroep ter wereld wordt uitgeoefend en waar kwetsbaarheid voor uitbuiting om blijvende waakzaamheid vraagt.
De prijs van een terugtrekkende overheid
De afgelopen jaren is de fysieke aanwezigheid van de politie op de Wallen sterk afgenomen. Het iconische Bureau Warmoesstraat werd in 2000 gesloten en is inmiddels een museum. Bureau Beursstraat verhuisde in 2016 naar de Nieuwezijds Voorburgwal. Sinds die verhuizing is er geen volwaardig politiebureau meer in het Wallengebied.
De recente arrestaties rechtvaardigen de vraag of het verminderen van de permanente politieaanwezigheid in het gebied destijds een verstandige keuze was. Georganiseerde criminaliteit maakt doorgaans gebruik van ruimte die ontstaat wanneer toezicht en handhaving afnemen. Als criminelen het gevoel krijgen dat een deel van de Wallen feitelijk van hen is, is dat een signaal dat de bovenwereld terrein heeft prijsgegeven aan de onderwereld.
Tijd voor zelfreflectie en verbetering
De recente aanhoudingen verdienen alle waardering. Voor de rechercheurs die maandenlang aan dit internationale onderzoek hebben gewerkt. Voor de samenwerking met de Roemeense autoriteiten. En vooral voor de slachtoffers, van wie nog lang niet iedereen in beeld is.
Minstens zo belangrijk is dat de overheid er iets van leert. Hoe was het mogelijk dat de Roemeense pooiers – uitgerekend op de Wallen waar de strijd tegen mensenhandel al decennialang de aanleiding vormt voor bestuurlijke maatregelen – niet vanaf het begin de hete adem van de politie in hun nek voelden?
Als Amsterdam écht werk wil maken van de bestrijding van misstanden op de Wallen, dan vergt dat meer dan een incidentele grootschalige actie. Het vraagt om blijvende prioriteit, meer recherchecapaciteit, meer politie op straat en een permanent, zichtbaar aanspreekpunt midden in het Wallengebied. Waar blijft dat nieuwe politiebureau in het pand van Houthandel Schmidt op de Oudezijds Achterburgwal dat bewoners en ondernemers jaren geleden al in het vooruitzicht is gesteld?
Duidelijker is het niet te verwoorden. Mijn complimenten voor dit schrijven.