Waarom mijn gokhallen ontbreken in het definitieve Vandros-arrest

Op 4 juli 2019 veroordeelde de rechtbank Willem Holleeder tot een levenslange gevangenisstraf in de zaak Vandros. In het vonnis deed de rechtbank ook een opmerkelijke uitspraak over mijn gokhallen op de Amsterdamse Wallen: die zouden in werkelijkheid toebehoren aan Holleeder. Ik stond versteld toen ik dat vernam. Ik was in Vandros geen verdachte en was over de eigendom van mijn bedrijven niet gehoord. Drie jaar later veroordeelde het gerechtshof Holleeder in hoger beroep opnieuw tot levenslang. Het hof vernietigde daarbij het rechtbankvonnis en kwam tot een eigen oordeel. De stellige uitspraak van de rechtbank over mijn gokhallen keerde daarin niet terug.

Vandros-vonnis aanleiding nieuwe vervolging
Vandros handelde over liquidaties in de Amsterdamse onderwereld. Willem Holleeder zou daar volgens het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor zijn. Hij stond in die strafzaak als enige terecht.

Dat de rechtbank in een liquidatieproces oordeelt over het eigendom van mijn gokhallen op de Wallen is op zichzelf al hoogst merkwaardig. Die hallen speelden geen enkele rol bij de ten laste gelegde liquidaties. De consequentie van dat oordeel is nóg vreemder.

De rechtbankoverweging over mijn gokhallen in het Vandros-vonnis vormde voor het OM namelijk ‘de aanleiding’ voor de strafzaak Terrel die in 2020 begon. Dat is de officiële lezing van het OM. De feitelijke gang van zaken was anders, maar daar kom ik zo op.

De door het OM beweerde ‘aanleiding’ om een nieuwe strafzaak tegen mij te starten werd op 24 juni 2022 vernietigd door het hof. De zaak Terrel ging niettemin gewoon door.

Op het eerste gezicht dezelfde uitkomst en tóch vernietigd
Wat betekent het juridisch wanneer een gerechtshof in de kern hetzelfde oordeelt over de ten laste gelegde feiten als de rechtbank eerder heeft gedaan en het vonnis tóch vernietigt?

Bronnen: Rechtbank Amsterdam 4 juli 2019 en Gerechtshof Amsterdam 24 juni 2022.

Die vernietiging is opvallend. De uitkomst qua bewezenverklaring en strafoplegging veranderde immers niet. Toch koos het hof ervoor het vonnis niet te bevestigen, maar om zelf opnieuw recht te doen.

Het hof schreef over de vernietiging in het arrest: “Het hof komt in hoofdlijnen tot dezelfde beslissingen als de rechtbank, maar op meer gedetailleerd niveau zijn er verschillen, terwijl ook de motivering van het hof op diverse punten anders is. Daarom zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen.”

Het hof had onderdelen van het vonnis ook kunnen bevestigen en motiveringen kunnen overnemen. Dat laatste deed het bijvoorbeeld bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van heimelijk door Astrid Holleeder gemaakte geluidsopnamen. Maar een andere overweging uit het rechtbankvonnis verdween volledig uit het arrest.

Gokhallen op de Wallen
Ik was officieel geen verdachte in Vandros, geen procespartij en de eigendom van mijn gokhallen op de Amsterdamse Wallen stond niet op de tenlastelegging tegen Willem Holleeder. Toch meende de rechtbank zich in 2019 stellig over het eigendom van mijn bedrijven te moeten uitlaten bij de beoordeling van verklaringen van zijn zussen Astrid en Sonja. Beiden waren eerder verdachte in het onderzoek Goudsnip naar onder meer de nalatenschap van de in 2003 geliquideerde ex-Heinekenontvoerder Cor van Hout.

Onder het kopje “Goudsnip: belang verdachte bij losgeld en gokhallen?” besprak de rechtbank in het vonnis de verklaring van de zussen dat zij in Goudsnip niet over het Heinekenlosgeld en de herkomst van bepaalde bezittingen konden spreken omdat Willem hen dat zou hebben verboden. Volgens Astrid en Sonja was hun broer “feitelijk eigenaar” van mijn gokhallen op de Wallen die met Heinekenlosgeld zouden zijn aangeschaft.

Geconfronteerd met het onbegrip bij de oudste rechter dat de zussen hun broer in hun eerdere verklaringen hadden beschuldigd van liquidaties maar uit angst voor Willem niet durfden te praten over ‘de gokhallen’, antwoordde Sonja Holleeder: “Hij heeft toch van die petten.” Dat blijkt onder meer uit onderstaand liveverslag van Paul Vugts van de betreffende openbare zitting in februari 2018:

Bron: Het Parool, liveverslag Paul Vugts van het getuigenverhoor van Sonja Holleeder in de strafzaak Vandros op 19 februari 2018.

De rechtbank besteedde in het vonnis geen aandacht aan de onbegrijpelijk gevonden verklaring van Sonja over mijn gokhallen, maar richtte zich op een heimelijk door Astrid opgenomen gesprek met haar broer waarin hij zich zou hebben voorgedaan als eigenaar.

Tijdens het strafproces ontkende Willem eigenaar van de hallen te zijn. Aan die ontkenning verbond de rechtbank in het vonnis een opmerkelijke gevolgtrekking: “Uit de omstandigheid dat verdachte tot op heden heeft ontkend dat de gokhallen feitelijk van hem waren, concludeert de rechtbank dat verdachte er blijkbaar veel aan gelegen is om dat verborgen te houden.”

Lees die overweging nog eens goed. Holleeder ontkent ‘tot heden’ dat de gokhallen van hem zijn. De rechtbank legt die ontkenning vervolgens belastend uit: blijkbaar is hem er veel aan gelegen zijn vermeende eigendom verborgen te houden. Daarmee krijgt zijn ontkenning een zichzelf bevestigende betekenis. Als Holleeder daarentegen zou hebben beweerd wel eigenaar te zijn, zou dit de verklaringen van zijn zussen bevestigen en eveneens tegen hem worden gebruikt.

Werkelijke eigenaar niet gehoord
Daar komt nog iets bij. Zonder mij hierover te horen, stelde de rechtbank in het vonnis dat de gokhallen die ik zelf had gekocht en exploiteerde, in werkelijkheid aan Willem Holleeder zouden toebehoren.

Drie strafrechters van de rechtbank Amsterdam deden onder leiding van voorzitter Frank Wieland buiten de tenlastelegging om dus een verstrekkende feitelijke uitspraak over de eigendom van bezittingen van een derde, terwijl die derde niet in de gelegenheid was gesteld daarop te reageren. Mij is niet gevraagd hoe ik de gokhallen had verkregen, hoe de financiering was geregeld, hoe de eigendomsverhoudingen lagen of wat mijn reactie was op hetgeen Astrid en Sonja Holleeder daarover verklaarden.

Dat ik niet ben gehoord is nog enigszins te begrijpen, omdat over mijn vermeende, maar niet bestaande stromanschap voor Holleeder in 2009 in Kolbak al onherroepelijk was geoordeeld. Maar de rechtbank had daar kennelijk geen boodschap aan. Daarmee handelde de rechtbank naar mijn oordeel in strijd met de onschuldpresumptie, die op grond van artikel 6 lid 2 EVRM en de rechtspraak van het EHRM ook na een onherroepelijke vrijspraak bescherming biedt.

Hoor en wederhoor is eveneens een fundamenteel uitgangspunt in rechtspraak. In een strafproces geldt dat formeel tussen de procespartijen. Daarnaast gelden uitgebreide regels over het kunnen toetsen van belastende verklaringen.

Het blijft voor een rechterlijke waarheidsvinding buitengewoon merkwaardig om een zo stellige conclusie over het eigendom van een derde te trekken, zonder die beweerde eigenaar daar ooit over te horen. En die conclusie was niet zonder gevolgen.

Van één overweging naar een nieuwe strafzaak
Voor het OM was deze overweging van de Amsterdamse rechtbank in het Vandros-vonnis aanleiding om mij in 2020 opnieuw te vervolgen voor het witwassen van de Wallenpanden waarvan ik in 2009 in de strafzaak Kolbak onherroepelijk was vrijgesproken.

“De rechtbank heeft onze visie in het vonnis bevestigd,” zei officier van justitie Lars Stempher tijdens het gesprek op 3 juli 2020 op het kantoor van mijn advocaat waar ik voor de keuze werd gesteld: als getuige in Vandros verklaren dat ik de gokhallen en panden op de Wallen onder druk en dreiging van Holleeder van Endstra heb gekocht en dat ze eigenlijk van Holleeder zijn, of een nieuwe strafvervolging voor witwassen ondergaan.

Op 10 juli 2020 wees mijn advocaat mr. Han Jahae mr. Lars Stempher, zowel officier van justitie als advocaat-generaal in Vandros, erop dat ik de gokhallen en panden op de Wallen in 2002 niet onder druk of dreiging van Holleeder van de familie Endstra heb gekocht, dat ze uitsluitend mijn eigendom zijn en dat ik niet bereid was om iets anders te verklaren. Daarop reageerde Stempher: “Dan gaan we de procedure in” en startte hij de strafzaak Terrel.    

Niet mijn reactie op het keuzevoorstel van Stempher, maar een overweging in het Vandros-vonnis over mijn eigendommen, tot stand gekomen zonder mij te horen, werd naderhand door het OM als ‘de aanleiding’ genoemd om – ondanks mijn onherroepelijke vrijspraak in 2009 – de voortdurende stromanverdenking nieuw strafrechtelijk gewicht te geven en een nieuwe strafzaak wegens het vermeende witwassen van de Wallenpanden te beginnen.

Na het wijzen van het vonnis op 4 juli 2019 ging Willem Holleeder in hoger beroep en werd het Vandros-proces voortgezet bij het hof, waar Lars Stempher opnieuw optrad als aanklager, ditmaal samen met een oude bekende: Koos Plooij.  

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de zussen Holleeder
Het gerechtshof keek opnieuw naar de betrouwbaarheid van de getuigen Astrid en Sonja Holleeder, maar uitvoeriger dan de rechtbank had gedaan.

De zussen hadden toegegeven dat ze in Goudsnip hadden gelogen. Het hof beschikte echter, evenals de rechtbank, slechts over delen van het Goudsnip-dossier en bleef zodoende zitten met onbeantwoorde vragen. De conclusie van het hof wijkt op dit onderdeel opvallend af van de stellige benadering van de rechtbank.

Het hof schrijft in het arrest: “De beschikbare dossierstukken uit het onderzoek Goudsnip roepen vragen op en bevatten aanwijzingen dat de getuigen Holleeder hierover mogelijk nog altijd niet de gehele waarheid spreken.” En onmiddellijk daarna: “De verdediging heeft daar terecht op gewezen.” Het hof kon daarom naar eigen zeggen niet vaststellen “wat ten aanzien van al die thema’s de precieze waarheid is”.

Met ‘de getuigen Holleeder’ doelt het hof uiteraard op Astrid en Sonja Holleeder.

Verschillen in benadering
In 2019 meende de rechtbank op basis van verklaringen uit dezelfde context zonder enig voorbehoud te kunnen vaststellen dat Willem Holleeder feitelijk eigenaar was van mijn gokhallen. Zelfs zijn ontkenning werd als ondersteuning voor dat oordeel gebruikt.

Drie jaar later sprak het hof uitdrukkelijk twijfels uit over de volledigheid en juistheid van de verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder over financiële kwesties, waaronder investeringen en de mogelijke aanwending van Heinekenlosgeld. Dat laatste speelde een voorname rol in het onderzoek Goudsnip, waarin de zussen zelf jarenlang als verdachten waren aangemerkt.

De stellige conclusie van de rechtbank over het eigendom van mijn gokhallen keerde niet terug in het Vandros-arrest. Ook de cirkelredenering van de rechtbank dat Holleeders ontkenning van zijn eigendom juist een aanwijzing vormt dat hij wél eigenaar was, maar dat verborgen wilde houden, is in het arrest verdwenen.

Niet alles uit het Vandros-vonnis verdween
Het hof nam bepaalde rechtbankmotiveringen wel over, maar niet de eigendomsoverweging over mijn gokhallen. De uiteindelijke uitkomst veranderde niet: Holleeder kreeg opnieuw levenslang. De dubieuze cirkelredenering over mijn gokhallen maakte echter geen deel meer uit van de motivering.

Ook in cassatie speelde de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen een rol. Naast klachten over de kroongetuigen werd onder meer geklaagd over de belastende verklaringen van Astrid en Sonja Holleeder. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van Willem Holleeder op 9 januari 2024. Daarmee bleef het arrest van het gerechtshof in stand, zonder dat de Hoge Raad daarmee de niet-overgenomen eigendomsoverweging uit het vernietigde rechtbankvonnis alsnog bevestigde.

Wat betekent het vernietigen van een vonnis?
Over de strafprocesrechtelijke gevolgen van het vernietigen van een strafvonnis stelde mijn advocaat mr. Oscar Pluimer later ten behoeve van de bestuursrechtelijke procedures een juridisch memorandum op. Dat ging in de eerste plaats uiteraard over de gevolgen van de vernietiging van de Terrel-vonnissen door het hof op 1 mei 2026.

In een uitvoerig memorandum dat niet zou misstaan in een juridisch vakblad zette mr. Pluimer het algemene systeem van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering uiteen. Die systematiek is vanzelfsprekend ook van toepassing op het vernietigde Vandros-vonnis.

Een gerechtshof kan in hoger beroep een vonnis geheel bevestigen, gedeeltelijk bevestigen, gedeeltelijk vernietigen of geheel vernietigen. Meer smaken zijn er niet. Wanneer het hof een vonnis vernietigt, doet het wat de rechtbank had behoren te doen.

Een hof mag onderdelen van de motivering van een vernietigd vonnis alsnog overnemen. Maar – en dat is essentieel – die overname moet wel uit het arrest blijken. Blijkt dat niet uit het arrest, dan maken die gronden geen deel uit van de nieuwe motivering van het hof.

In het memorandum van mr. Pluimer wordt dit toegelicht aan de hand van de zogenoemde blokkentorenmetafoor van voormalig advocaat-generaal bij de Hoge Raad mr. A.E. Harteveld. De rechterlijke beslissingen in een zaak vormen samen de blokken van een toren. De motiveringen zijn als post-its die op de afzonderlijke blokken zijn geplakt. Bij vernietiging, zoals met het Vandros- en het Terrel-vonnis is gebeurd, wordt de toren omvergehaald, inclusief de post-its.  

De vernietigde uitspraken van de rechtbank in de strafzaak Terrel zijn ‘als zodanig uit de rechtsorde verwijderd’, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het verwoorde in een brief van 31 augustus 2026 aan mijn bestuursrechtadvocaat mr. Douwe op de Hoek. De bijbehorende motiveringen verdwijnen mee. Alleen wat het hof vervolgens uitdrukkelijk in zijn eigen nieuwe bouwwerk opneemt, krijgt opnieuw juridische betekenis.

Een verdwenen overweging met een lange nasleep
Dat maakt de nasleep van de vernietigde passage over mijn bedrijven in het Vandros-vonnis nogal wrang. De rechtbank deed zonder mij te horen een verstrekkende uitspraak over mijn eigendom en gebruikte zelfs Holleeders ontkenning als aanwijzing voor het tegendeel.

Het OM voerde die overweging in 2020 herhaaldelijk aan als ‘de aanleiding’ voor de nieuwe strafzaak tegen mij. Twee jaar later vernietigde het gerechtshof het vonnis, zonder het oordeel van de rechtbank over het eigendom van de gokhallen over te nemen. Integendeel: het hof plaatste vraagtekens bij de volledigheid en juistheid van de verklaringen van de zussen Holleeder over financiële kwesties. Dat is geen kleinigheid.

Daarom moet bij verwijzingen naar een rechterlijke uitspraak altijd worden gekeken naar wat er daarna in hoger beroep is gebeurd. Een rechtbankvonnis kan indrukwekkend klinkende “vaststellingen” bevatten, maar als dat vonnis later wordt vernietigd, kunnen OM en bestuursorganen naderhand niet doen alsof iedere daarin opgenomen overweging als rechterlijke waarheid is blijven voortbestaan. Een overweging die het hof bij het opnieuw berechten van de zaak niet heeft overgenomen, kan al helemaal niet worden gepresenteerd alsof zij door dat hof – en vervolgens door de Hoge Raad – is bekrachtigd. Wat ná de uitspraak van de Hoge Raad van 9 januari 2024 in cassatie definitief is geworden, is het Vandros-arrest van het gerechtshof uit 2022. Niets meer en niets minder.






Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.