Deskundigenonderzoek

Bij het proces in eerste aanleg had ik de Haarlemse rechtbank gevraagd deskundig onderzoek te laten verrichten naar de achterbankgesprekken. Het verzoek werd destijds bekritiseerd door het Openbaar Ministerie en niet gehonoreerd door de rechtbank die zichzelf kundig genoeg vond om de gesprekken op hun waarde te kunnen beoordelen. Bij de aanvang van het hoger beroep heb ik opnieuw via mijn advocaat aangegeven een rechtspsychologisch onderzoek te willen naar de achterbankgesprekken. Weer verzette het Openbaar Ministerie zich hiertegen en het gerechtshof zag, net als de rechtbank, geen noodzaak voor een dergelijk onderzoek.

Verhoren Van der Bijl
Toen eind januari 2009 een verbeterde uitwerking van de verhoren van Thomas van der Bijl uit de fax rolde, bleken deze op essentiële punten af te wijken met hetgeen oorspronkelijk was geverbaliseerd. Ook was de deelname van Officier van Justitie Fred Teeven aan de gesprekken veel dominanter dan is het proces-verbaal stond vermeld. Ineens vertoonden de gesprekken met Van der Bijl opvallend veel gelijkenis met de manier waarop CIE-ers op de achterbank bezig waren om Endstra uit te horen.

Rechtspsychologen
Na kennisname van de uitwerking van de verbeterde verhoren van Van der Bijl wilde nu ook de verdediging van Willem Holleeder een deskundigenonderzoek. Het Openbaar Ministerie, die was uitgenodigd om mee te doen en onderzoeksvragen aan te dragen, wilde niet. En het hof zag er het nut niet van in. Dus moest het op eigen initiatief en op eigen kosten.

De verdediging van Holleeder en Kaatee schakelden twee gerenommeerde rechtspsychologen in om de achterbankgesprekken en de gesprekken met Van der Bijl grondig te bestuderen en te toetsten of deze voldoen aan de maatstaven waarop getuigenverhoren worden beoordeeld of ze wel of geen nuttige bijdrage kunnen leveren aan de waarheidsvinding.

Op 31 maart 2009 presenteerden de hoogleraren Hans Crombag en Willem Wagenaar hun ‘waardering’ van de gesprekken van politieambtenaren met Willem Endstra en Thomas van der Bijl.

‘Endstra heeft de regie en liegt’
Ten aanzien van de achterbankgesprekken concluderen Crombag en Wagenaar in hun rapport dat de regie bij die gesprekken vrijwel geheel in handen is van Endstra. Zodra de CIE-rechercheurs meer duidelijkheid willen, krijgen zij telkens ontwijkende antwoorden. Zo kon Endstra zonder probleem zijn eigen rol minimaliseren en die van Holleeder maximaliseren.

Dat Endstra zijn eigen agenda had, kan de gesprekspartners niet zijn ontgaan. Endstra wilde Holleeder zo lang mogelijk op laten sluiten, maar zo’n doel herbergt het risico ‘dat hij zich te buiten zal gaan aan verzinsels of in ieder geval overdrijvingen, die zijn doel zouden kunnen dienen.’ Maar in plaats van Endstra hiervoor te waarschuwen, sporen de CIE-ers de vastgoedbaron aan om zoveel mogelijk beschuldigingen te uiten. Zo stellen de hoogleraren onder meer vast dat Endstra zijn aandeel in de gokhallentransactie duidelijk versluiert en dat zijn gesprekspartners dit op zijn beloop laten door geen kritische vragen te stellen. ‘Dat is niet de enige keer tijdens de gesprekken dat de CIE-rechercheurs nalaten Endstra te confronteren met voor de hand liggende bedenkingen.’ 

Crombag en Wagenaar hanteren bij hun onderzoek een belangrijke stelregel: ‘wanneer eenmaal met zekerheid is vastgesteld dat een of meer onderdelen van een verklaring gelogen zijn, moet men ervan uitgaan dat in principe ook andere onderdelen of de gehele verklaring gelogen kunnen zijn.’  De hoogleraren zien bij alle niet geverifieerde onderdelen van Endstra’s verklaringen dan ook een ernstig probleem opdoemen. Immers, als de verhoorde eenmaal op een kennelijke leugen is betrapt, kun je alleen nog strikt geverifieerde details van zijn verklaring veilig geloven. Het rapport stelt: ‘Endstra zegt meer dan eens dat hem zelf niets strafbaars te verwijten valt, m.a.w. hij zou in zijn zaken goudeerlijk zijn. Wij weten dat dit een leugen is en weten bovendien maar al te goed wat zijn motief daarvoor is,’ 

‘Rivaliteit tussen politieafdelingen’
Over de verklaringen van Thomas van der Bijl stellen Crombag en Wagenaar dat de processen-verbaal van de verhoren slechts een selectie bevat van de geluidsregistratie. De latere transcripties tonen aan dat een groot aantal elementen uit de verhoren zijn weggelaten in de oorspronkelijke processen-verbaal, onder meer de reden waarom Officier van Justitie Fred Teeven deelnam aan de verhoren.

‘Hij kwam blijkens de transcriptie uitleggen dat Van der Bijl alleen met de Nationale Recherche moest praten en niet met de CID te Haarlem of de CIE te Amsterdam, want die zijn niet te vertrouwen. (…) Het vreemde aan deze interventie is, dat het kennelijk aan Van der Bijl is om te beslissen met welke justitiële instanties hij contact heeft. Teeven is kennelijk niet in staat die instanties te coördineren. Er is blijkbaar rivaliteit tussen de verschillende politieafdelingen, die allemaal op Holleeder azen en elkaar de eer niet gunnen. De officier heeft geen zeggenschap over de CIE/CID en wil zijn positie versterken door Van der Bijl daar weg te houden. Bovendien is er het vermoeden dat er bij de politie gelekt wordt. Door exclusief met deze verhoorders te praten wordt Van der Bijl’s veiligheid echter niet gewaarborgd, want Teeven weet niet waar het lek zit, als het er is. Het zou net zo goed in Teeven’s eigen organisatie kunnen zitten,’  aldus Crombag en Wagenaar.  

De hoogleraren vinden dat Van der Bijl hier tot een pion is gemaakt in de zoektocht naar een lekkende politiefunctionaris. Zowel de competentiestrijd in de rechercheorganisatie als het risico dat Van der Bijl daardoor loopt, kunnen volgens de hoogleraren motieven zijn geweest om de aard van de interventie van Teeven buiten het proces-verbaal te houden.

Nauwelijks verschil
Uit de transcripties blijkt verder dat degenen die Van der Bijl hebben verhoord zich weinig aan hebben getrokken van de richtlijnen voor getuigenverhoren, zoals aan de hand van de ‘Handleiding voor verhoor’ wordt gedoceerd aan de Politieacademie. ‘Het was meer in het bijzonder Officier van Justitie Teeven die met die richtlijnen onbekend leek. Hij leek zich er zelfs niet van bewust dat het om formele verhoren ging.’ 

Door de wijze waarop de verhoren van Van der Bijl in de eerdere processen-verbaal zijn opgemaakt leken deze op het eerste oog superieur aan wat de achterbankgesprekken met Endstra hebben opgeleverd. Maar in de vorm van de transcripties onderscheiden zij zich nauwelijks van elkaar, concluderen de hoogleraren in hun rapport.