Het risico van uitholling van het ne bis in idem-beginsel

Op 3 juli 2009 is in de strafzaak Kolbak na uitvoerig onderzoek definitief geoordeeld dat ik de panden die ik in 2002 van de familie Endstra kocht niet heb witgewassen. Nadat de rechtbank Haarlem mij hier in eerste aanleg al van had vrijgesproken, sprak het gerechtshof mij ook in hoger beroep vrij. Omdat het OM niet in cassatie ging, had die uitspraak definitief moeten zijn. Tóch startte het OM in 2020 onder de naam Terrel een nieuwe strafzaak waar hetzelfde witwasverwijt aan ten grondslag ligt. Hoe is dat mogelijk, en wat zegt dat over de rechtsstatelijke betekenis van een vrijspraak?

Hetzelfde feitencomplex|
De vervolging in Terrel voor het vermeende witwassen van vijf panden op de Amsterdamse Wallen ziet op exact dezelfde feiten en omstandigheden als destijds in Kolbak:

  • dezelfde natuurlijke en rechtspersonen
  • dezelfde panden op de Wallen
  • dezelfde financieringsconstructie
  • dezelfde vermeende verhullingshandelingen
  • dezelfde chronologie van gebeurtenissen

Wat het OM mij in Terrel verwijt is identiek aan wat mij eerder in Kolbak is verweten: het houden en beheren van de panden voor een vermeende andere feitelijke eigenaar.

Van een nieuw of ander feitencomplex is geen sprake. Het is gewoon een nieuwe vervolging voor verdenkingen die eerder integraal door rechters en raadsheren zijn beoordeeld waarop een definitieve vrijspraak is gevolgd.

Een verschuiving op papier
Het OM heeft in Terrel geen feiten gewijzigd – dat kan ook niet – maar slechts de formulering in de tenlastelegging aangepast. Dat wil zeggen: de tenlastegelegde periode is aangepast en de verweten gedragingen zijn juridisch anders gelabeld. Meer niet.

Aanvankelijk liet het OM de verdenking aanvangen op 1 maart 2003, ná mijn aankoop van de panden in 2002 en ná de herfinanciering op 24 februari 2003, ogenschijnlijk om overlap met Kolbak te voorkomen. Het OM stond er kennelijk niet bij stil dat de tenlastegelegde periode in Kolbak veel langer was. Die liep namelijk van 1 januari 2002 tot en met 30 januari 2006.

‘Dat is een ingewikkelde vraag’
In het eind 2020 door het OM gepresenteerde proces-verbaal van (nieuwe) verdenkingen is gesteld dat ik in Kolbak alleen ben vervolgd voor het witwassen van de panden in het aankoopjaar 2002. De rechercheurs met codenamen T-137 en R-486 hielden dat ook vol tijdens de verhoren op het hoofdbureau van politie in 2020 en 2021.

Tijdens het tweede verhoor op 16 december 2020 wees ik de verbalisanten erop dat het de Nederlandse overheid conform internationale rechtspraak niet is toegestaan om iemand te blijven beschuldigen van strafbare feiten waarvan hij onherroepelijk is vrijgesproken. Verbalisant R-486 reageerde:

V: Zeker, dat is rechtspraak die wij ook kennen, maar u bent toch vervolgd voor een bepaalde periode? Voor het witwassen van die panden in 2002? Dat staat toch in uw tenlastelegging?

Ik: Ten laste gelegde periode was natuurlijk veel langer.

V: Er staat 2002 in.

Ik: In 2002 ben je dan niet aan het witwassen en in 2003 ben je in ene wel aan het witwassen? Snap ik echt helemaal niks van.

V: Ja, dat is een ingewikkelde vraag.

Rechtspraak hoort niet ingewikkeld te zijn en ook niet ingewikkeld te worden gemaakt.

Aanpassing periode
Het witwassen van de panden is in Kolbak niet alleen in 2002 maar toch echt van 1 januari 2002 tot en met 30 januari 2006 ten laste gelegd.

Letterlijk wordt de verdachte in Kolbak (ik dus) bij Feit 3 (witwassen) omschreven als ‘hij die op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 januari 2006 te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Duitsland of in Zwitserland tesamen in vereniging met anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”

Na er iets beter naar te hebben gekeken viel het muntje bij het OM. Het wijzigde de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode in Terrel van 1 maart 2003 naar 31 januari 2006. Het is een veelzeggende aanpassing. Met deze handeling onderstreept het OM in feite dat het verschil tussen beide zaken niet is gelegen in andere gedragingen, objecten of betrokkenen, maar uitsluitend in de zelf geconstrueerde temporele en juridische formulering.

Het juridische kader: de materiële identiteit
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit” niet alleen de juridische kwalificatie van belang, maar gaat het vooral om de gedragingen zelf, bezien in onderlinge samenhang.

Ook het Hof van Justitie van de Europese Unie benadrukt in jurisprudentie dat de materiële feiten doorslaggevend zijn om te kunnen spreken van “hetzelfde feit”. Als het geheel van concrete, onlosmakelijk met elkaar verbonden feiten en omstandigheden, ongeacht het juridische etiket, hetzelfde is, is ne bis in idem van toepassing.

Een marginale verschuiving van de tenlastegelegde periode of een herformulering van hetzelfde gedrag rechtvaardigt dus geen nieuwe vervolging.

Geen theoretisch scenario
Afwijken van de benadering van de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de EU, zoals de rechtbank Amsterdam bij herhaling heeft gedaan, maakt de bescherming die artikel 68 Sr de Nederlandse burger biedt tegen een herhaalde vervolging afhankelijk van de redactie van de tenlastelegging. In dat geval zou het OM, na een onherroepelijke vrijspraak, een nieuwe vervolging kunnen starten voor witwassen door een andere periode te kiezen en/of een alternatieve juridische kwalificatie te hanteren.

Dat is geen theoretisch scenario. In Terrel heeft het OM deze werkwijze, met goedkeuring van de rechtbank, al concreet en met succes toegepast.

De rechtsstatelijke consequenties
Ne bis in idem (niet twee keer hetzelfde) is het rechtsbeginsel dat iemand niet tweemaal strafrechtelijk kan worden vervolgd of gestraft voor hetzelfde feit nadat daarover een onherroepelijk gerechtelijk oordeel is gegeven, hetzij een vrijspraak, hetzij een veroordeling.

Dit fundamentele rechtsbeginsel beschermt de rechtszekerheid van burgers, voorkomt dubbele bestraffing en waarborgt de finaliteit van rechterlijke beslissingen.

In Nederland is het ne bis in idem-beginsel verankerd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Internationaal is het beginsel onder meer vastgelegd in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Wanneer een vrijspraak niet langer definitief is, maar afhankelijk wordt van de formulering van een nieuwe tenlastelegging, verliest de rechtsbescherming die uit het ne bis in idem-beginsel voortvloeit haar betekenis.

Een strafproces waarin voortdurende delicten, zoals witwassen en deelname aan een criminele organisatie, worden berecht zou daarmee in de praktijk geen definitief einde kennen.

Wat is een vrijspraak eigenlijk waard?
In Terrel is het narratief – de vermeende stromanconstructie, de herkomst van de panden, de rol van de betrokken partijen en de financiële structuur – eerder onderzocht en beoordeeld in Kolbak. Dat heeft in 2009 geleid tot een onherroepelijke vrijspraak.

De vraag die nu voorligt bij het hof en op vrijdag 1 mei zal worden beantwoord, is niet alleen of de herhaalde vervolging in Terrel juridisch toelaatbaar is, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, maar tevens welke betekenis een vrijspraak voor witwassen in Nederland heeft.

Want als een vrijspraak door het OM kan worden omzeild door het verschuiven van een periode en het veranderen van woorden dreigt zij haar definitieve karakter te verliezen en daarmee haar betekenis. En als een vrijspraak haar definitieve karakter verliest, wat blijft er dan nog over van de bescherming die het ne bis in idem-beginsel beoogt te bieden?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.