Dinsdagochtend 31 maart a.s. houdt het Amsterdamse gerechtshof in het Paleis van Justitie een regiezitting in de strafzaak Terrel. Het is de officiële start van het hoger beroep dat het Openbaar Ministerie heeft ingesteld tegen mijn derde vrijspraak op rij voor dezelfde beschuldiging.

Drie vrijspraken
Voor hetgeen mij in Terrel ten laste is gelegd, namelijk het witwassen van vijf panden op de Amsterdamse Wallen, ben ik in 2007 door de rechtbank Haarlem al vrijgesproken in de strafzaak Kolbak. In 2009 sprak ook het gerechtshof in Amsterdam mij hiervan vrij. Die integrale vrijspraak zou onherroepelijk moeten zijn, want het OM ging toen niet in cassatie.
Toch is het OM in 2020 onder de naam Terrel een nieuwe vervolging gestart, waarin opnieuw het witwassen van de Wallenpanden ten laste is gelegd. Op 11 november 2024 ben ik ook in die nieuwe strafzaak hiervan vrijgesproken, nu door de rechtbank Amsterdam.
In totaal hebben drie verschillende gerechtelijke instanties, ofwel negen rechters in verschillende combinaties, mij vrijgesproken van het tenlastegelegde (gewoonte)witwassen: de rechtbank Haarlem, het gerechtshof Amsterdam en de Amsterdamse rechtbank. Het OM probeert het gewoon nog een keer en ging in hoger beroep.
Ne bis in idem
Dat iemand na een onherroepelijke vrijspraak opnieuw wordt vervolgd, terwijl de materiële feiten en gedragingen die ten grondslag liggen aan de nieuwe vervolging niet verschillen van de eerdere strafzaak, roept vragen op over rechtszekerheid en de reikwijdte van het ne bis in idem-beginsel.
De internationale rechtsregel die bepaalt dat iemand niet opnieuw mag worden vervolgd als eenmaal een onherroepelijk strafrechtelijk oordeel over de kwestie is uitgesproken, is niet voor niks bekend onder een Latijnse naam. Het stamt namelijk al uit de Romeinse tijd.
Samenstelling hof is bekend
De samenstelling van het hof dat de regiezitting in de zaak Terrel in hoger beroep gaat behandelen is inmiddels bekend. Twee van de drie raadsheren zijn eerder officier van justitie geweest. Op zichzelf is dat niet vreemd. In het Nederlandse rechtssysteem is een overstap van het Openbaar Ministerie naar de rechterlijke macht institutioneel ingebed. Maar dat wil echter niet zeggen dat zo’n overgang altijd geruisloos en zonder aanpassingsproblemen verloopt.
Andere denkwijze
Officieren van justitie opereren vanuit een vervolgingsperspectief. Rechters die eerder officier van justitie waren moeten afstand nemen van hun doorgaans eenzijdige blik op een zaak. In hun nieuwe rol in de Rechtspraak worden ze geacht onafhankelijk te kunnen oordelen. Dat vergt een iets andere manier van denken. Het maakt de overgang van het OM naar de rechterlijke macht in elk geval niet eenvoudig. Dat is geen kritiek op rechters met een OM-achtergrond, maar een constatering die is gestoeld op mijn eigen ervaringen.
Eerdere ervaring met een raadsheer met een OM-achtergrond
In het hoger beroep van de strafzaak Kolbak maakte Luuk Dun deel uit van de zittingscombinatie van het hof. Dun was eind jaren ’90 een collega van de bekende officier van justitie Koos Plooij bij het Landelijk Parket, afdeling zware criminaliteit. Plooij was de aanklager in de eerste aanleg van het Kolbak-proces en speelde daarna in meerdere rechtszaken – waaronder mijn Bibob-zaak en mijn civiele zaak tegen Het Parool – een centrale rol.
Een wrakingsverzoek tegen Dun werd in 2008 afgewezen door de wrakingskamer van het hof. Dus mocht hij de zaak in hoger beroep mede behandelen. Tijdens de inhoudelijke behandeling stelde hij vragen en maakte hij opmerkingen die niet alleen bij mij op zijn minst de schijn van vooringenomenheid wekten. Ik heb dit toen beschreven in mijn verslag van de zitting van 4 maart 2009. Oordeel zelf.
Tweede ervaring
De tweede keer dat ik werd geconfronteerd met een rechter met een OM-achtergrond was bij de behandeling van mijn Verzoek Einde Zaak door (de raadkamer van) de rechtbank Amsterdam. Ex-officier van justitie Dick van den Brink was senior-rechter en voorzitter in die zaak. In zijn beslissing op 23 februari 2022 oordeelde hij samen met twee collega-rechters waarvan één inmiddels werkzaam is bij het hof, dat Terrel niet evident in strijd was met het ne bis in idem-beginsel.
Relativering van een vrijspraak
De verwijzing van mijn advocaat naar mijn eerdere vrijspraak in Kolbak wimpelde de rechtbank onder leiding van Van den Brink weg met de redenering dat een vrijspraak niet betekent dat de ten laste gelegde feiten zich niet hebben voorgedaan, maar ‘slechts’ dat dit destijds in Kolbak niet wettig en overtuigend kon worden bewezen. De nieuwe strafzaak was daarom niet evident in strijd met ne bis in idem, mede omdat witwassen een ‘voortdurend delict’ is. Die redenering van de rechtbank kwam overeen met het standpunt van het OM.
Raadsheer eerder betrokken bij Passage
Een van de raadsheren die dinsdag 31 maart de regiezitting van het hoger beroep in Terrel gaat behandelen was niet alleen officier van justitie in een eerder leven. Als raadsheer was hij medebehandelaar van het hoger beroep van het liquidatieproces Passage. Daarin zijn verklaringen van Sonja en met name Astrid Holleeder gebruikt om de rol te schetsen van hun broer Willem in het Amsterdamse criminele milieu als opdrachtgever van liquidaties, zij het met de kanttekening dat hij in die zaak geen verdachte was. In mijn strafzaak Terrel speelt Astrid Holleeder eveneens een belangrijke rol als getuige.
Onafhankelijkheid
Deze toevallige samenloop van factoren – de OM-achtergrond van twee raadsheren en eerdere betrokkenheid van een van hen bij een aan Holleeder gerelateerd dossier – baarde mij zorgen. Gelukkig zijn die zorgen grotendeels weggenomen omdat het tijdens de regiezitting van dinsdag alleen zal gaan over de fundamentele vraag of de herhaalde vervolging voor het witwassen van de Wallenpanden wel of niet in strijd is met het ne bis in idem-beginsel.
Er breken dus weer spannende tijden aan waarbij ik het oordeel van het hof met vertrouwen tegemoet zie.