Het complotproject 1012, deel 2

In het Coalitieproject 1012 duidt de gemeente speelautomatenhallen op de Wallen veelvuldig aan als criminogene of laagwaardige ondernemingen die aan de onderkant van de markt opereren. Zoals in deel 1 al is gemeld bevinden zich in het Wallengebied, in tegenstelling tot hetgeen wethouder Asscher beweert, geen 8 maar 5 speelhallen waarvan er geen enkele voor “groot” zou kunnen doorgaan. Een bestuurder die bewust de beeldvorming beïnvloedt door een onjuiste voorstelling van zaken te geven, diskwalificeert zichzelf. Dat de PvdA-wethouder het werkelijke aantal bedrijven niet kent, is uitgesloten. Een goed bestuurder vergewist zich ervan over betrouwbare onderzoeksgegevens te beschikken alvorens conclusies te trekken.

De werkelijke aantallen

In postcodegebied 1012 bevinden zich in totaal tien speelhallen waarvan vijf in het Wallen-gebied. In de vijf kleine amusementscenters op de Wallen wordt slechts 19% van het totale aantal in speelhallen opgestelde automaten in het postcodegebied geëxploiteerd. In haar economische visie ‘Etalage van Amsterdam’ van november 2008 vond de Kamer van Koophandel dit niet teveel. In tegenstelling tot de bestuurders vond zij 5 hallen blijkbaar goed passen in de buurt.
Verreweg de meeste speelautomaten van het postcodegebied 1012 (81%) staan opgesteld in de vijf speelhallen aan het Damrak en de Nieuwendijk. Deze vijf bedrijven hebben vergunningen voor in totaal 618 automaten. Drie van deze speelhallen hebben een vergunning voor 100 of meer automaten en kunnen als ‘groot’ worden gekwalificeerd. Met een druk op de knop zijn al deze gegevens uit openbare bronnen te halen. Daar kan geen misverstand over bestaan.

‘Gokhallen’
In de media duiden bestuurders speelautomatenhallen vaak aan als laagwaardige ondernemingen die zouden bijdragen aan een verloederd straatbeeld. Ik vind dat stigmatiserend en beledigend. Niet alleen voor de ondernemers in deze branche maar ook voor het personeel dat speciale cursussen moet volgen om de werkzaamheden naar behoren te kunnen verrichten.
In de strategienota worden amusementscenters of speelautomatenhallen steevast aangeduid als ‘gokhallen’ of ‘gokautomatenhallen’. Ook dit draagt bij aan de negatieve beeldvorming, evenals de gehanteerde stelling dat ‘gokhallen zich aan de onderkant van de markt bevinden’.
In het verbouwde City-theater bij het Leidseplein opent JVH Gaming binnenkort een splinternieuwe ‘gokhal’ met 150 automaten. Dit zijn er meer dan in alle vijf speelhallen op de Wallen staan opgesteld. De gemeenteraad verleende haar goedkeuring hiervoor. Het zal wel een KEMA-gecertificeerde automatenhal worden, maar die zijn er ook op de Wallen. In het Red Light District wordt al jaren geen uitbreiding meer toegestaan waardoor de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering beperkt blijven tot het behalen van het KEMA-certificaat. Van het opheffing van deze rigide beperkingen is geen sprake in de strategienota. In tegendeel.

KEMA
Het KEMA certificaat toont aan dat het kwaliteitsbeleid van een speelautomatenhal transparant, betrouwbaar, veilig en deugdelijk is. De criteria om aan het KEMA certificaat te voldoen zijn opgesteld door KEMA Registered Quality BV in samenwerking met de Speelautomatenbranche organisatie VAN, Ministerie van VWS, Ministerie van Justitie, Ministerie van Economische zaken, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Verslavingszorg. Speelhallen die het KEMA certificaat hebben behaald worden 2x per jaar door middel van audits gecontroleerd of zij nog aan de kwaliteitsnormen voldoen. KEMA-gecertificeerde speelhallen bevinden zich helemaal niet ‘aan de onderkant van de markt’ en zijn net zo min laagwaardig als bijvoorbeeld Holland Casino.

HIT-rapport 
In zijn voornemen tot weigering van de exploitatievergunningen van Amusementscenter Molensteeg en Buddy Buddy schrijft burgemeester Cohen: ‘De ondernemingen waarvoor u de vergunningen heeft aangevraagd, lenen zich voor het witwassen van criminele gelden.’ Een toelichting gaf de burgemeester niet bij deze stelling. De gedachte achter het vooroordeel over speelautomatenhallen vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in 1993. Toen hebben hooggeplaatste politiechefs waaronder de Amsterdamse commissaris Van Riessen met ongenuanceerde uitspraken de speelautomatenbranche in een kwaad daglicht geplaatst. Volgens bevindingen van het Amsterdamse Horeca Interventie Team (HIT) zouden de speelautomatenhallen Molensteeg en Buddy Buddy samen maar liefst 400 speelautomaten exploiteren die gebruikt zouden worden voor witwaspraktijken. In werkelijkheid exploiteerden beide speelhallen samen maar 59 speelautomaten waarmee doodnormale omzetten werden behaald. Buddy Buddy is met een vergunning voor 19 automaten zelfs een van de kleinste automatenhallen in heel Nederland.
Van Riessen was destijds Hoofd Justitiele Bedrijfsvoering inzake bestrijding van criminele invloeden in de speelautomatenbranche. Naar aanleiding van het HIT-rapport van Van Riessen, kopte de Volkskrant op 10 december 1994: ‘Hit-team meldt witten miljoenen via gokautomaten’.
De ongefundeerde en onjuiste speculaties van Van Riessen stonden later model voor de bevindingen van de commissie Van Traa over de Wallen. In het Van Traa-rapport trokken criminologen conclusies op grond van informatie van Van Riessen en consorten zonder eigen onderzoek te verrichten naar de feiten. Dat gebeurde later.

Onderzoek Bovenkerk
Op 30 januari 1998 werden de resultaten van een onderzoek naar criminaliteit in speelhallen naar de Tweede Kamer gestuurd. De ‘vrijwel afwezigheid van witwassen’ was één van de meest opmerkelijke conclusies van dit onderzoek dat onder leiding stond van de criminoloog professor Frank Bovenkerk. De reden was eenvoudig te verklaren. Indien illegale inkomsten via gokautomaten witgewassen zouden worden, moet daar wel erg veel belasting over worden betaald. Volgens de onderzoekers bestonden daar andere en veel goedkopere alternatieven voor. Een leider van de ‘Projectgroep speelautomaten’ heeft blijkens het rapport van de 3000 onderzoeken slechts één signaal van een vermoeden tot witwassen gevonden, en achtte dit ‘verwaarloosbaar’. Met uitzondering van het in de branche aanwezige contante geld, bleken de andere theoretisch geopperde criminogene factoren in de praktijk niet te kloppen;

• Manipulatie van gokautomaten wordt voor een groot deel voorkomen door controles van het NMI, de belastingdienst (verplichte registratie van tellerstanden sinds 1996) en KEMA;
• Er is heel weinig concurrentie op de markt doordat de gemeentebesturen het aantal bedrijven kunstmatig beperken. De enige echte concurrent is de overheid (Holland Casino);
• De regelgeving is duidelijk. Bovendien doet de branche zelf aan imagoverbetering en professionalisering, hetgeen leidt tot nog meer controles bijvoorbeeld ten behoeve van het KEMA-certificaat,
• Amusementscenters hebben computersystemen en bewakingscamera’s aangeschaft om verduistering van gelden door hun personeel te voorkomen;
• Er staat veel op het spel. Ondernemingen riskeren het verlies van een hal- of exploitatievergunning niet.

Dit is vast niet een van de rapporten over witwassen waarop PvdA-wethouder Asscher doelde bij Pauw & Witteman. Indien de wethouder niet bekend is met het rapport ‘Criminaliteit in de branche van Amusementscenters?’ kan hij contact opnemen met het Ministerie van Justitie in wiens opdracht het onderzoek destijds is verricht.