De Criminele Inlichtingen Eenheid (2)

Op 1 februari 2007 is CIE kopstuk Jan van Looijen aan de beurt om bij de rechter-commissaris te worden gehoord in het Kolbak-onderzoek. Van Looijen verklaart onder meer dat hij in 2004 was overgestapt van de CIE Amsterdam naar de CIE van de Nationale Recherche. Mijn (toenmalige) raadsman Jan-Hein Kuijpers brengt tijdens het verhoor het bezoekje van meneer Inpijn en zijn collega op 28 juni 2004 ter sprake.

Verklaring Jan van Looijen
V: Kent u meneer Inpijn?
A: Ik ken er twee.

V: Werkten ze allebei bij de CIE Amsterdam?
A: Ja, het zijn twee broers.

V: Werkten ze daar in dezelfde tijd?
A: Ze zijn allebei in dezelfde tijd begonnen, maar op een andere tijd weg gegaan. De ene met voorletter R, is tot 2005 gebleven. De ander is eerder opgehouden, hij is eind jaren negentig gestopt.

V: Weet u of R. Inpijn Kaatee op enig moment heeft bezocht? 
A: Dat zou kunnen. Er zijn zoveel mensen opgezocht door verschillende dienders. Er zijn in Amsterdam ongeveer 40 tot 50 runners. In dit soort zaken worden lijsten gemaakt met honderden personen die worden bezocht. 

V: Weet u of Kaatee bezocht is door voornoemde Inpijn over het feit dat hij op een dodenlijst zou staan? Kaatee is op 28 juni 2004 om 10.30u door deze Inpijn bezocht.
A: Dat zou kunnen. Er wordt dan een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Dit is wel na te kijken. Dit is overigens geen CIE taak.

Tijdens de regiezittingen in Rotterdam in augustus 2008 hebben wij het gerechtshof gevraagd om Van Looijen opnieuw te mogen horen, onder meer over de reden van het bezoek aan de speelhal op 28 juni 2004. Maar het Openbaar Ministerie verzette zich hiertegen. Het schoof CIE officier Sander de Haas naar voren, die pas  sinds 1 april 2006 in functie was. De Haas kon alle vragen beantwoorden die betrekking hadden op de CIE en de achterbankgesprekken, aldus het OM. Het Hof ging ermee akkoord, en zo voorkwam het OM een nieuw verhoor van Van Looijen.

Getuigenis CIE Officier De Haas
Op 17 en 18 december 2008 verscheen CIE officier De Haas als plaatsvervanger van Van Looijen voor het gerechtshof. Getuige De Haas gaf op de vragen die hem werden gesteld aanvankelijk korte nietszeggende antwoorden als ‘dat weet ik niet’ en ‘dat is een vraag voor Van Looijen’. Ook liet De Haas veel vragen onbeantwoord vanwege zijn beroepsmatige geheimhouding.

‘Plaatjes kijken’
Op 18 december 2008 vroeg mijn huidige advocaat mr. Han Jahae aan De Haas of er twee broers genaamd Inpijn hadden gewerkt bij de CIE Amsterdam. ‘Dat is voor mijn tijd’, luidde het zoveelste ontwijkende antwoord van De Haas. Na enig aandringen wist de CIE Officier te vertellen dat op 28 juni 2004 niemand bij de CIE Amsterdam werkte met de naam Inpijn. Dit had hij nagekeken. En toch was Van Looijen stellig geweest bij de rechter-commissaris: R. Inpijn is tot 2005 bij de CIE Amsterdam gebleven. De Haas had die verklaring gelezen maar wat Van Looijen had beweerd klopte niet. Stond Inpijn bij de CIE dan geregistreerd onder een andere naam? Met tegenzin gaf voorzitter mr. Chorus (“We gaan toch niet naar plaatjes zitten kijken?”) toestemming om getuige De Haas te confronteren met foto’s van Inpijn en zijn collega. De ‘aanloop’ in de speelhal was namelijk vastgelegd met opnameapparatuur en bewakingscamera’s. De Haas begon te draaien op zijn stoel, bekeek de foto’s en zei: ‘Ik herken geen van beide personen.’

Tactisch middel?
Nadat hij naar de foto’s had gekeken vertelde De Haas dat hij naar aanleiding van de verklaring van Van Looijen had onderzocht of er een verslaglegging was van het bezoek aan Kaatee in 2004. Dat bleek niet het geval. Er bestond ook geen proces-verbaal van de beweerde dreiging, aldus De Haas. Meneer Inpijn had dus gelogen. Er was helemaal geen dreiging. Mr. Jahae vroeg daarom aan de CIE Officier of het waarschuwen van personen als tactisch middel wordt ingezet om te kijken wat degene die is ‘aangelopen’ gaat doen. De Haas antwoordde dat dit niet gebruikelijk is binnen de CIE.