Mijn pleidooi (1)

Samen met mijn advocaat Han Jahae hield ik mijn pleidooi op 6 mei 2009 in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht, de thuisbasis van het Amsterdamse gerechtshof. In de zittingszaal zaten slechts vier belangstellenden. Natuurlijk mijn vrouw en zoon, maar ook de journalisten Auke Kok en Harry Lensink. Op de publieke tribune een verdieping hoger zaten onze vrienden Don Clovis, Christina en Dodge. Laatstgenoemde is de bassist van mijn band Seven Eleven, die speciaal vanuit Uden naar Amsterdam was gereden om het pleidooi bij te wonen.

Mevrouw Gonggrijp-Van Mourik, de gewraakte raadsheer die tijdens het requisitoir in Rotterdam zo driftig aantekeningen maakte toen mijn zaak werd voorgedragen, was in geen velden of wegen te bekennen.

Artikel 311 lid 2 jo. 415 WvSv. 
Dat een verdachte zelf het woord voert tijdens het pleidooi, komt zelden voor. Mijn advocaat en ik hadden besloten tot een duo-presentatie, waarbij ieder zijn eigen pleitnotities zou voordragen. Han leidde het pleidooi in:´Het pleidooi wordt geregeld in artikel 311 lid 2 jo. 415 WvSv. De wetgever vergunt in die bepaling de verdachte het recht om na het requisitoir op de woorden van het OM te antwoorden. De verdachte heeft dat recht, niet de raadsman. Nu is het in de praktijk natuurlijk altijd zo dat de raadsman na het requisitoir zijn pleidooi houdt, vandaag zullen Marcel Kaatee en ik art. 311 lid 2 jo. 415 WvSv in ieder geval letterlijk nemen. Wij zullen samen, elkaar afwisselend en aanvullend pleiten.´

Betoog Han Jahae: 

Spil en minister van Financiën 
Officier van Justitie Plooij zei in raadkamer op 14 februari 2006: “Kaatee is de financiële spil waar het onderzoek om draait”. Op 11 april van dat zelfde jaar legde mr. Teeven uit waarom Kaatee toch echt langer in voorarrest moest blijven: “Deze man kan vermogensbestanddelen wegsluizen die nog niet traceerbaar zijn”. En verder tijdens hetzelfde betoog: “Kaatee verklaart veel maar hij zegt weinig en als wordt doorgevraagd blijft hij hangen in zijn eigen verhaal”. Omstandig legde mr. Teeven uit dat Marcel Kaatee de man was die de financiën voor Holleeder bestierde. Kaatee was volgens mr. Teeven: “de minister van Financiën van Holleeder”. Op 11 mei 2006 werd deze krachtige stelling met de van deze officier bekende ferme vastberadenheid herhaald. Kaatee als spil en minister van Financiën.

Eis: 3 jaar
Bij gelegenheid van het requisitoir in eerste aanleg was de benadering al iets genuanceerder. Het was wel duidelijk dat Kaatee uit het centrum was verdwenen. Het hart van de zaak lag nu bij de betalingen van Endstra aan Paarlberg en ja, daar had Kaatee toevallig niks mee te maken. Evenmin bleken er vermogensbestanddelen weggesluisd. Kaatee zou volgens het OM hooguit behulpzaam zijn geweest in de marge door het maken van afspraken, het inzien van een enkele transactie, het aannemen van een geldbedrag ten behoeve van Holleeder en zijn betrokkenheid bij de Wallenpanden kon ook niet kloppen. Allemaal losse verwijten zonder kennelijk verband, een beetje met de haren er bij gesleept, maar toch. Het kon niet zo zijn dat Kaatee ineens helemaal niks meer te verwijten viel. Drie jaar luidde de eis.

Medeplichting?
De rechtbank oordeelde anders en sprak Kaatee vrij van het leeuwendeel van de feiten en oordeelde enkel dat cliënt voorzichtiger had moeten zijn bij het aannemen van een contant geldbedrag. Bij gelegenheid van het requisitoir op 20 april jl. in hoger beroep, oordeelde het OM anders dan de collega’s uit de eerste lijn, dat Kaatee vrij gesproken zou moeten worden van deelname aan een criminele organisatie, evenmin werd hij nog langer beschouwd als medepleger van afpersing, hooguit als medeplichtige. De motivering is wel een heel bijzondere. Waarom namelijk medeplichtig en geen medepleger? Omdat Kaatee ‘zich bewust moet zijn geweest van de reële kans dat het daarbij ging om gedwongen betalingen door Endstra met het oogmerk van Holleeder om zich te bevoordelen, ja wederrechtelijk te bevoordelen, juist door de dwangsituatie’.

Hij moet zich daar bewust van zijn geweest om twee redenen en wel de volgende:

1)  ‘Was het immers niet Holleeder die al eerder betrokken was geweest bij de ontvoering van Heineken, ook omwille van het grote geld?’

2)  ‘Is het aannemelijk te achten dat Kaatee, die zulke nauwe contacten had met Holleeder en met Endstra en die ontmoetingen bepaald niet normaal tot stand kwamen, zich niet bewust moest zijn van de dreigementen jegens Endstra?’

Een retorische vraag, maar dan wel een uit het ongerijmde. Veiligheidshalve voegt het OM er nog aan toe dat niet per sé vereist is dat Kaatee op de hoogte was van de afpersing door Holleeder, zelfs als hij voorwaardelijk opzet zou hebben op het mindere, kan er een veroordeling volgen ter zake medeplichtigheid van afpersing hetgeen dan bij de strafoplegging verdisconteerd kan worden.

Voortschrijdend inzicht
Van de centrale, financiële autoriteit, het centrum van waaruit de financiën van het criminele imperium van Holleeder bestierd werd, de minister van Financiën, tot iemand die zich bewust moet zijn geweest dat er iets niet klopte in de relatie tussen Holleeder en Endstra. Zie hier de progressie in de gedachtevorming bij het OM. Ik heb sterk de indruk dat als het appèl een paar maanden langer had geduurd en het OM de tijd en gelegenheid had genomen om zich werkelijk te verdiepen in de zaak van Marcel Kaatee, men vanzelf tot vrijspraak geconcludeerd zou hebben.