Kansspelbelasting (2)

“Een brancheorganisatie die pleit voor ingrijpen van de overheid? Dat komt op mij een beetje vreemd over”, zei de verslaggever van het Financieel Dagblad tegen voorzitter Annette Kok van de Speelautomatenbrancheorganisatie VAN toen zij in mei 2008 verklaarde dat zij er bij de overheid voor heeft gepleit de Wet Bibob op de eigen branche van toepassing te laten zijn.

En ingrijpen deed de overheid. Niet zo’n beetje ook. De branche werd in datzelfde jaar ineens bestempeld als een ‘economisch laagwaardige’ en ‘criminogene’ bedrijfstak. Met ingang van 1 juli 2008 moest van de omzet 40,85% kansspelbelasting in plaats van 19% omzetbelasting worden afgedragen aan de Staat. De overheid spreekt zelf liever van een verhoging naar ‘29% van de bruto spelopbrengst’, want dan lijkt de verhoging minder dan werkelijk het geval is. Naast de aanmerkelijk hogere belastingafdracht mocht betaalde btw niet meer worden afgetrokken en moest eerder afgetrokken btw in verband met investeringen in de voorafgaande 5 jaar, met terugwerkende kracht worden overgemaakt naar de belastingdienst.

Berenschot
In het kader van een voorgenomen uitbreiding van de Wet Bibob rapporteerde Onderzoeksbureau Berenschot op 3 juli 2008 over de speelautomatenbranche:

‘Uit informatie uit het van Traa rapport, die overigens uit de eerste helft van de jaren negentig dateert, wordt duidelijk dat de speelautomatenexploitanten door hun dominante positie een belangrijke factor zijn. Dit maakt het risico op criminele facilitering hoog.’
‘Daarnaast is er ook daadwerkelijk sprake van criminaliteit, maar blijft de exacte omvang daarvan onduidelijk. Uit de bestaande informatie en de daaruit blijkende dominante positie die de exploitanten innemen kan wel worden geconcludeerd dat het risico op criminele facilitering zeer zeker aanwezig is. Ten derde is de extra belasting voor de speelautomatenexploitant gerechtvaardigd gezien de mate en het risico op criminaliteit in de speelautomatenbranche als geheel.’

Van zelfregulering naar overheidsingrijpen
De brancheorganisatie maakte geen enkel bezwaar tegen het criminaliseren van de speelautomatensector door Berenschot. In tegendeel. Door te zwijgen en de Wet Bibob te omarmen deed de VAN voorkomen alsof het onderzoeksbureau helemaal gelijk had. En zo maakte het in de jaren negentig ingezette beleid van zelfregulering plaats voor stevig overheidsingrijpen. Het vermeende ‘criminogene’ karakter van de speelautomatenbranche was zelfs aanleiding de Wet Bibob uit te breiden naar de landelijke kansspelvergunningen. Daarnaast moest een op te richten ‘Kansspelauroriteit’ toezicht gaan houden op de sector en hoge boetes uitdelen en vergunningen intrekken zodra kansspelbedrijven criminelen faciliteren.

Bibob
Hoewel ik in 2009 volledig ben vrijgesproken en geen strafblad heb, zag de gemeente Amsterdam een ‘ernstig gevaar’ dat de door mij aangevraagde vergunningen misbruikt zouden worden om geld wit te wassen of iets dergelijks. Hoe dit gevaar zich zou kunnen verwezenlijken maakte de gemeente niet duidelijk. Op 18 april 2011 werd via Het Parool naar buiten gebracht dat ik mijn speelautomatenhallen op de Wallen vanwege dat ‘ernstige gevaar’ moest sluiten. Daarna ontving ik het besluit zelf.

In dat Bibob-besluit stelde de burgemeester de speelautomatensector in een kwaad daglicht, alhoewel hij moest erkennen dat ‘witwassen middels speelautomaten erg lastig is’. Er waren echter andere motieven waarom criminelen in deze branche actief zouden zoals ‘macht, territoriale aspiraties en een plek van samenkomst voor georganiseerde misdaad,’ aldus de burgemeester. Op mijn vraag welke van deze criteria van toepassing waren op mijn speelautomatenhallen bleef de burgemeester het antwoord schuldig.

Verderop in de Bibob-procedure deed de bezwaarschriftencommissie van de gemeente een poging daar een antwoord op te geven. De commissie verwees naar wetgeving in Ierland eind jaren tachtig die de exploitatie van speelautomatenhallen daar onmogelijk maakte. Blijkbaar heeft de commissie in internationale rechtspraak moeten grasduinen om te kunnen betogen dat speelautomatenhallen behoren tot een ‘omstreden branche’ die ‘kwetsbaar is voor criminele invloed’. Welk verband er bestaat tussen het verbieden van speelautomatenhallen in Ierland eind jaren tachtig en de huidige speelhallenexploitatie in Nederland werd niet toegelicht, terwijl ik daar nu juist zo benieuwd naar was.

Crimineel stempel
Het is betreurenswaardig dat de speelautomatenbranche voortdurend een crimineel stempel krijgt opgeplakt zonder dat dit deugdelijk met feiten wordt onderbouwd, niet door Berenschot, niet door de gemeente Amsterdam, niet door politici en ook niet door een regering die in 2008 omzet met speelautomaten veel zwaarder ging belasten,

Eerste Kamer
In een brief aan de Commissie van Veiligheid en Justitie van de Eerste Kamer heb ik eind augustus 2012 gepleit voor een actueel en onafhankelijk feitenonderzoek dat nagaat of de speelautomatenbranche daadwerkelijk kwetsbaar is voor criminele invloeden. De uitkomst van zo’n onderzoek wijst uit of het ‘criminele imago’ waar de sector mee te kampen heeft wel terecht is. Ik denk namelijk van niet. Bestuurlijke wetgeving gerelateerd aan misdaadbestrijding (lees: Wet Bibob) hoort niet van toepassing te zijn op de speelautomatenbranche in Nederland.

De Eerste Kamer vindt het negatieve beeld van de sector wel prima zo want mijn brief werd geen enkele overweging waardig geacht. Geen enkele partij stelde naar aanleiding van mijn brief nadere vragen aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Teeven. De Uitbreidings- en evaluatiewet Bibob werd op 26 maart 2013 als hamerstuk afgedaan en op 5 april 2013 in de Staatscourant gepubliceerd.